nieuws

Bestuurbare boring niet mogelijk

bouwbreed

Na het sluiten van een aannemingsovereenkomst kunnen zich omstandigheden voordoen, die het de aannemer onmogelijk maken de door hem te verrichten prestatie te leveren. Niet altijd leidt zo’n omstandigheid tot een beroep op overmacht. De wet eist immers dat het niet kunnen nakomen van zijn verbintenis niet aan de debiteur te wijten mag zijn, zij mag ook niet voor zijn rekening komen.

In het dagelijks spraakgebruik zeggen we dat het niet voor zijn risico mag komen. Dat kan niet alleen in de overeenkomst en in de wet zijn bepaald, maar ook gelden door de verkeersopvattingen op dat gebied.

Zo’n beroep op overmacht werd gedaan door de L.B.U. BV, die in september 1991 een overeenkomst had gesloten voor het door bestuurbare boringen aanbrengen van boorgangen onder het Noord-Hollands kanaal. De BV zou dat doen voor een aannemings- en installatiebedrijf dat pijpleidingen moest leggen. Het was geen dure klus die L.B.U. uit te voeren had, want de aanneemsom bedroeg maar f. 53.000.

Tijdens het boren bleek er echter op de bewuste plaats een ondoordringbare schelpenlaag te liggen. Ook een in bestuurbare boringen gespecialiseerd bedrijf bleek die boorgangen niet te kunnen aanleggen. Hoewel opdrachtgever noch aannemer van de aanwezigheid van de schelpenlaag op de hoogte was, vond de eerste toch dat L.B.U. aansprakelijk was voor het feit dat het beoogde resultaat niet was bereikt.

Volgens hem was er een aannemingsovereenkomst gesloten, die de aannemer verplicht een bepaald resultaat tot stand te brengen. L.B.U. bestreed dat en vond dat er een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten was gesloten. Zo’n overeenkomst garandeert namelijk niet dat het gewenste resultaat wordt bereikt, zoals een dokter of advocaat nooit kan garanderen dat hun inspanning datgene zal opleveren wat hun client graag wil.

Voor de rechter stond meteen vast dat hier wel degelijk een aannemingsovereenkomst was gesloten. De elementen daarvan waren immers alle aanwezig: het tot stand brengen van boorgangen op een bepaalde plaats tegen een tevoren vastgestelde prijs.

De opdrachtgever vond echter dat zijn aannemer niet gebonden was aan zijn aanwijzingen over de plaats waar geboord moest worden en de methode die hij daarbij diende te gebruiken.

Uit de stukken bleek echter duidelijk dat het trace van de te leggen leidingen in de opdracht was bepaald. Ook was aangegeven welke punten aan weerskanten van het kanaal door de boringen verbonden moesten worden. Dat de opdrachtgever van L.B.U. ook geen andere plaats daarvoor mocht aanwijzen, bleek wel uit het feit, dat de pijpleidingen uiteindelijk niet door een boorgang werden gelegd maar aangebracht door het ingraven nadat de kanaalbodem was uitgebaggerd.

De overeenkomst was ook duidelijk over de gekozen methode van bestuurbare boring. De enige vrijheid die L.B.U. voor de uitvoering van het werk had, betrof hooguit de keuze van zware of minder zware apparatuur. Dat het boren ook met zwaardere apparatuur volslagen onmogelijk was, bleek wel uit de nota van Flow Mole Holland BV, de specialist op dit gebied. In de tien dagen dat zij geboord hadden waren diverse pogingen mislukt. Daarbij waren zelfs verscheidene boorkoppen gebroken.

Hieruit leidde de rechter af dat het tot stand brengen van de boorgangen op de door de opdrachtgever verlangde plaats niet mogelijk was. Omdat dit als een blijvende onmogelijkheid moest worden beschouwd kon L.B.U. zich met succes op overmacht beroepen.

Het ging er daarbij niet eens om of de bewuste schelpenlaag absoluut ondoordringbaar was. Het ging hier alleen om de vraag of beide partijen er naar redelijke verwachting van mochten uitgaan dat door een bestuurbare boring het gewenste resultaat kon worden bereikt. Naar in de praktijk bleek was zulks niet het geval, maar dat was voor beide partijen niet te voorzien en daarom niet aan een van hen toe te rekenen. Evenmin kwam die onmogelijkheid volgens de gebruikelijke regels voor het risico van een van hen.

Daarom kon er ook geen sprake zijn van wanprestatie van L.B.U. die het beroep op overmacht terecht had gedaan, wat ook door de rechtbank al erkend was. In het door de opdrachtgevende aannemings- en installatiebedrijf ingestelde hoger beroep overwoog het Hof in Amsterdam nog wel of uit een tevoren ingesteld bodemonderzoek niet had moeten blijken dat het onmogelijk was om daar een bestuurbare boring uit te voeren.

Beide partijen hadden al eerder zulke boringen in de omgeving (laten) verricht(en) en waren er kennelijk vanuit gegaan dat dit hier onnodig was. De rechtbank had daarom de schadevergoedingseis terecht afgewezen. Maar L.B.U. vond dit niet genoeg en meende dat voor haar – vergeefse – werk wel betaald moest worden. Die eis was in eerste instantie afgewezen, maar van de instelling van het hoger beroep door haar wederpartij maakte zij gebruik door meteen ook tegen die afwijzing in beroep te gaan.

Zonder resultaat. De rechtbank had er in zijn vonnis al op gewezen dat de opdrachtgever van die werkzaamheden geen enkel profijt had gehad. De aanwezigheid van de niet voorziene schelpenlaag was ook aan hem niet toe te rekenen.

Het gevolg van het geslaagde beroep op overmacht van L.B.U. was dus niet alleen dat zij van haar verplichtingen ontslagen was; dat gold net zo goed voor haar opdrachtgever!

(BR 1997 p. 1032)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels