nieuws

Remkes betreedt ministerie met open vizier

bouwbreed Premium

den haag – “De Vinex-locatie bestaat niet. Ik volg met enige verwondering de discussie over te snel of juist te langzaam, te veel of juist te weinig en te klein of juist te groot. Aan paniekvoetbal doe ik niet mee. Kwartaalcijferfetisjisme zegt me niets. Het zijn lange termijn processen en zo’n tanker buig je alleen langzaam bij. Je moet niet eens iets anders willen proberen.”

Johan Remkes (47) heeft de nodig ervaring in de Groningse en Haagse politiek. Sinds een week of vijf is hij staatssecretaris van VROM. Zijn verschijning, lang en strak in het pak, wekt een formele indruk. Het pakje Zware van de Weduwe uit de binnenzak staat daarmee in contrast. Op zijn gemak draait Remkes een sigaret. Ontspannen gaat hij zijn eerste interview als staatssecretaris in. “Vraag maar wat je wilt. Als ik het antwoord niet weet, hoor je het wel.”

In zijn functie van staatssecretaris zal Remkes zijn licht moeten laten schijnen over de Vinex. Over de Vinex-locaties die hij al eens bezocht, zeg hij: “Daar zaten heel aardige projecten bij. Maar ook projecten waarvan je denkt dat ze over vijftien jaar niet meer aan de behoefte voldoen. Soms staan de huizen wel erg dicht op elkaar. De productiepiek komt in 1999. En de verwachting is dat we de taakstelling halen. In 2000 gaan we evalueren. In het bijzonder richten we ons dan op de kwaliteit en zullen we ons afvragen of Vinex wel veelvormig is, hoe het zit met de architectuur en hoe de productie zich verhoudt tot de woonwensen van de consument.”

Johan Remkes zat op een terrasje op de Grote Markt in Groningen toen toenmalig fractievoorzitter van de VVD, Frits Bolkestein, belde met de vraag of hij staatssecretaris wilde worden. Hij vroeg niet alleen bedenktijd, maar ook hoe groot de portefeuille zou zijn. Allereerst pleegde hij met collega Tweede Kamerlid Pieter Hofstra en oud-collega Roel Vos (gedeputeerde in Groningen) overleg. Toen bleek dat het pakket minimaal dat van Tommel zou zijn, zei hij ‘ja’. In goed overleg met Pronk kreeg Remkes zelfs nog een paar zaken onder zijn hoede. Zo is hij nu ook verantwoordelijk voor het lokaal milieubeleid en de Rijksgebouwendienst.

In de weken dat hij nu op de vijfde verdieping aan de Haagse Rijnstraat resideert, heeft hij de nodige knelpunten in de volkshuisvesting ontdekt. De positie van de corporaties bezorgt hem hoofdbrekens. De komende tijd wil hij meer duidelijkheid over de rol van de corporaties. De twee uitersten zijn dat zij alleen een maatschappelijke taak vervullen of juist nauwelijks verschillen van het gewone bedrijfsleven. Remkes is er nog niet helemaal uit: “Wat is bijvoorbeeld hun concurrentiepositie ten opzichte van projectontwikkelaars. En dat tegen de achtergrond van het rapport van de Commissie Cohen (over concurrentie van overheids- en aanverwante bedrijven, red.). Het geld van de corporaties is maatschappelijk kapitaal. Daarom heb ik de kwestie van hun positie aangemeld voor de MDW-operatie.” Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit. Daarbij wordt een sector onder de loep genomen die op het snijvlak van overheid en bedrijfsleven opereert.

Maar met de bruteringsoperatie is de politiek goeddeels de greep kwijtgeraakt op de corporaties. “Toch vind ik de brutering op zichzelf een goede richting. De sector is erbij gebaat en een stuk professioneler geworden. Dat wil ik zeker niet terugdraaien, maar de vraag is hoe je verder gaat. Ik ga die discussie onbevangen aan.” In de begroting is wel expliciet opgenomen dat de sector voor het jaar 2000 met een oplossing moet komen om de verschillen tussen rijke en arme corporaties te verevenen. Gebeurt dat niet, dan grijpt de overheid in. Een van de redenen is de enorme investeringsopgave in verband met de herstructurering in de steden.

Voor alle investeringen in het wonen heeft het Rijk onder het kopje ‘stedelijke vernieuwing’ tot 2010 zelf bijna tien miljard gulden over. Hoe dat bedrag wordt verdeeld, is nog onduidelijk. “Hoe ga je verdelen en onder wie. Meerjarenafspraken zijn leuk, maar je moet wel waar voor je gulden krijgen en dat ook kunnen controleren.”

De herstructurering moet in Remkes’ visie veel verder gaan dan buurten een beetje opknappen en een opbouwwerker neerzetten. “Ik ben grotendeels gevormd in de jaren zestig. Maar in bouwen voor de buurt en in buurtwerkers heb ik nooit geloofd. We moeten oppassen niet dezelfde fouten te maken als bij de vroegere stadsvernieuwingsoperatie. We mogen de bewoners niet vergeten. Het draagvlak dat zij bieden is ook nodig voor succes. Ik volg de discussies in het Haagse Duindorp en in mijn eigen stad Groningen met grote belangstelling. Zulke processen kosten tijd. Ik maak mij overigens geen illusie dat ik het iedereen naar de zin kan maken.”

Ook de rol van Roger van Boxtel, de minister voor Grote Steden, moet nog duidelijk worden. Voorlopig draait alles om het maken van goede werkafspraken. “VVD’ers zijn pragmatisch en rechtgeaarde D66’ers ook. We komen daar wel uit. Het slechtst denkbare is een soort loopgravenoorlog waarbij iedereen zich ingraaft . Die wil ik graag voorkomen.”

Remkes geeft zichzelf maximaal een half jaar om zich in te werken. “Met een portie gezond verstand moet het mogelijk zijn de hoofdlijnen in die tijd in de vingers te hebben.” Dat zijn kennis van de bouw tot nu toe zeer beperkt is, vindt hij zelfs een voordeel. Als gedeputeerde voor de provincie Groningen is hij aan het pakket voor Verkeer en Waterstaat begonnen met de wetenschap: “Ik wist wat een weg was en ik had van huis meegekregen wat een waterschap was.” Vorige week maakte hij kennis met de bouw. NVOB-voorzitter Joop Ravesloot weet hij zich zelfs nog met naam en toenaam te herinneren.

‘Ik ga de discussie onbevangen aan’

‘Met zes maanden ken ik de hoofdlijnen’

Reageer op dit artikel