nieuws

Bouw gebruikt exportsubsidies onvoldoende

bouwbreed Premium

den haag – Het kleine en middelgrote bedrijf in de bouw en de toeleverantie beschikt over heel wat exportkansen. Diverse instanties bieden daar ondersteunende subsidie voor aan, maar ondernemers maken daar weinig gebruik van. De subsidieverleners weten weer weinig over de exportmogelijkheden van het bouw(gebonden) MKB. Die kansen nemen toe wanneer toeleveranciers zich niet beperken tot de uitvoer maar het achterliggende concept van het Nederlandse bouwen exporteren.

De IBTA (Investeringsbevordering en Technische Assistentie) van de FMO biedt interessante mogelijkheden voor export, vindt mr. M. Keijzer van het bureau MKC en O uit Schiedam. Bedrijven die in het buitenland willen investeren, kunnen er bijvoorbeeld een haalbaarheidsstudie, technische assistentie en opleidingen mee financieren. In de bouw vindt de regeling nauwelijks weerklank.

Nogal wat toeleveranciers vallen onder het midden- en kleinbedrijf (MKB) en beschikken dus nauwelijks over het personeel dat dergelijke zaken kan regelen. Daar komt bij dat veel kleine en middelgrote exporterende bedrijven op het gevoel werken. Maken van formele marktstudies past niet in die aanpak, weet Keijzer. Maar de subsidierende instellingen vragen om martktrapporten, analyses en een bedrijfspresentatie. Vooral dat laatste veroorzaakt nogal wat weerstand, omdat het geldt als een ongenode kijk in de keuken.

De landbouw maakt een meer dan gemiddeld gebruik van subsidieregelingen. Niet in de laatste plaats omdat de landbouw als sector wordt aangewezen. De bouw speelt daar ook een rol in maar wordt niet als afzonderlijke sector aangewezen. Bij de subsidierende instanties lijkt ook de kennis over deze sector te ontbreken, vindt Keijzer. ‘Bouw’ staat gelijk aan ‘aannemer’ en die staat doorgaans te boek als iemand die niet investeert maar gewoon een project doet. Ook toeleveranciers vallen in ‘Den Haag’ veelal onder de noemer ‘aannemer’. Maar ook aannemers kunnen investeren wanneer ze deelnemen in een bouwbedrijf. Subsidiegevers en kleinere aannemers komen elkaar nauwelijks tegen omdat de buitenlandse activiteiten van de laatsten over het geheel genomen na Belgie en Duitsland ophouden. En voor die landen geldt een IBTA niet.

Faciliteiten

Er zijn veel faciliteiten voor bijvoorbeeld export, investeringen en samenwerking tussen overheden waarbij een grote rol voor het Nederlandse bedrijfsleven is gereserveerd, zegt Keijzer. Hier is sprake van een samenwerkingsverband of een gezamenlijk bedrijf van een Oost- en een West-Europees bedrijf. De Oost-Europese onderneming dient een aanvraag in bij de FMO voor ondersteunende marktsubsidies of technische assistentie.

De Nuffic kan met het programma Passage weer de opleiding van het plaatselijke personeel verzorgen. Een samenwerkend Oost-Europees bedrijf dat in het kader van IBTA tijdelijk management wil aanstellen kan daarvoor een aanvraag indienen bij het PUM.

Het grijpt allemaal een beetje in elkaar. De instrumenten die nu bestaan dekken nagenoeg alle zakelijke activiteiten in oostelijk Europa af.

Te denken valt bijvoorbeeld ook aan de PESP dat het agentschap Senter van Economische Zaken uitvoert. De regeling financiert haalbaarheidstudies.

Vakministeries als VROM en Verkeer en Waterstaat beoordelen de ingediende voorstellen. Hier gaat het vooral om het inventariseren van exportkansen voor een bepaald gebied. Het hoeven dan volgens Keijzer geen projecten te zijn die zelf en direct winst opleveren maar wel in het vervolg allerlei kansen kunnen bieden. Voorbeelden daarvan bieden de ontwikkeling van bedrijventerreinen, woningbouw en vliegasverwerking. Ook van deze regeling maakt de bouw geen al te groot gebruik.

De aard van de regelingen is niet zo dat een Nederlands bedrijf zonder een cent eigen kapitaal in oostelijk Europa aan de slag kan, waarschuwt Keijzer. Het bedrag dat in een bedrijf is geinvesteerd moet even groot zijn als de aangevraagde subsidie.

Gekeken wordt ook of het Nederlandse bedrijf bijvoorbeeld zelf opleidingen verzorgt of die uitbesteedt aan derden. In het laatste geval valt het subsidiebedrag hoger uit maar niet meer dan de helft van het totale bedrag.

De looptijd voor trainingen in Nederland is maximaal drie maanden. In het geval van uitzending van managers naar oostelijk Europa gaat het momenteel om twee jaar. Die tijd verlengt binnenkort tot 2,5 tot drie jaar. Voor een haalbaarheidstudie wordt een half jaar aangehouden. Uitbetaling gebeurt pas na uitvoering van een project.

Adviesbureaus

Overlappingen zijn niet mogelijk, benadrukt Keijzer. Als het om training van managers gaat moet een bedrijf kiezen voor de IBTA of Passage-programma van de Nuffic. Uit de aanvraag moet ook duidelijk de eigen inbreng blijken. Dat gebeurt dan met investeringsverklaringen, een overzicht van de eigen kosten en met accountantsverklaringen. Die informatie komt echter niet verder dan het bureau van de subsidiegever. Hetzelfde geldt voor de voortgangsrapportages.

Alles bij elkaar moet de aanvrager een flinke berg papier doorwerken. Adviesbureaus bieden hier hun uitermate welkome diensten voor aan. Slechts weinig bedrijven bewandelen het subsidiecircuit alleen. Een slagingspercentage valt volgens Keijzer niet zo gemakkelijk te berekenen. Het ene bedrijf investeert de gelden in een productievestiging, de ander in een voorraadhoudende vestiging. Degenen die eenmaal over de grens zijn gegaan blijven daar ook zolang ‘het buitenland’ een redelijke omzet genereert.

Reageer op dit artikel