nieuws

Steden op de grens tussen vrijheid en dwang

bouwbreed Premium

Wie stadsgezichten op oude schilderijen bekijkt zal het opvallen dat het stadsbeeld in vrijwel alle gevallen beheerst wordt door de kerk en de militie. Kathedralen en kloosters bepaalden skyline en plattegrond, militaire overwegingen hielden de overvolle stad eeuwenlang gevangen binnen krappe muren. Maar in de 19e eeuw verandert dat. Nieuw geschut maakt stadsmuren op slag zinloos. Een nieuw soort mobiliteit – het spoor – verandert de relatie tussen stad en ommeland. De opkomst van de industrialisatie zorgt voor een onvoorstelbare groei.

In Engeland gaf de Maatschappij ter Verspreiding van Nuttige Kennis, opgericht in 1832, een serie kaarten van steden uit. Prachtige en instructieve staalgravures waren dat. De leergierige burger kon precies zien hoe de belangrijkste steden van de wereld in elkaar staken.

Nu zijn het niet meer de edellieden van weleer, maar een professor en sponsors uit het bedrijfsleven die wederom deze kaarten uitbrengen. Niet alleen meer ter verspreiding van nuttige kennis – want nog steeds zijn de kaarten waardevolle informatiebronnen voor met name stedenbouwers en architecten – maar ook ter vermaak. Samensteller Melville Branch van deze ‘Atlas of Rare City Maps’ prijst ze terecht aan als ‘works of art’.

De Atlas is een selectie van veertig platen van voornamelijk Europese steden. Buitenbeentjes zijn het Turkse Constantinopel en met name de drie Amerikaanse steden Boston, New York en Philadelphia. Ook voor de oppervlakkige beschouwer is in een oogopslag duidelijk dat in de nieuwe wereld sprake is van een nieuwe schaal en methode in de stedenbouw.

De kaarten dateren uit 1830 – 1842, een periode dat vrijwel alle steden voor grote veranderingen stonden. Branch gaat in toelichtingen bij de afgebeelde kaarten steeds op dergelijke thema’s in. Alles bij elkaar levert dat een instructief overzicht van de relatie tussen stedenbouw en tal van aspecten, van woningdichtheid tot en met de invloed van alle ellende die een stad als Warschau in de loop der eeuwen heeft moeten doorstaan.

Branch ziet meer verschillen tussen de steden dan overeenkomsten, al was het alleen al in bevolking, die varieert van 38.000 tot 2.000.000 inwoners. Maar ook de vorm en de afmetingen van stadsblokken varieren op een ondoorgrondelijke wijze. Waarom zijn ze in Turijn rechthoekig en in Liverpool extreem langwerpig? In sommige steden had de grote, moderne boulevard al zijn intrede gedaan, in de meeste (nog) niet.

Carrieres

Hoe komt het dat steden verschillende carrieres doormaken? Dat is de vraag die sociaal-geograaf Michiel Wagenaar probeert te beantwoorden in zijn boek ‘Stedebouw en burgelijke vrijheid’. Hij neemt zes Europese hoofdsteden onder de loep: Londen, Parijs, Amsterdam, Brussel, Rome en Boedapest. Die zijn te verdelen in grofweg twee categorieen: steden die wel boulevards hebben en die ze niet of in veel mindere mate hebben. Het gaat om de tegenstelling tussen monumentaliteit en het schilderachtige. En bij nader onderzoek ook om de tegenstelling tussen steden met of zonder florerende tuinsteden en suburbs.

Alle genoemde steden behalve Londen en Amsterdam hebben sterk onder invloed gestaan van de Parijzenaar Haussmann. Tussen 1853 en 1870 gaf die Parijs een nieuwe kaart (en een niet meer te dragen financiele schuld). Hij sloopte 27.000 panden en maakte 350.000 bewoners dakloos. Die verdwenen naar de rand van de stad, waar nog tot in de jaren zeventig van deze eeuw (!) de krotten van de bidonvilles het beeld beheersten, en daarna troosteloze flats met steeds meer allochtonen. Doel van Haussmann was niet alleen om problemen met hygiene en verkeer op te lossen, maar ook om de hoofdstad allure te geven. Daartoe zorgde deze ‘Atilla van de rechte lijn’ ervoor dat lange boulevards mooie perspectieven opleverden op gebouwen van openbaar belang en op nationalistische standbeelden.

In andere hoofdsteden werd met afgunst naar deze ontwikkelingen gekeken. Meer en minde geslaagde pogingen werden gedaan dit Parijse beeld te evenaren. Wagenaar maakt in zijn vlot geschreven betoog duidelijk dat succes stond of viel met voldoende support van de staat. Zonder het nodige geld en vooral de nodige beleidsinstrumenten (zoals een niet te enghartige onteigeningswet) kreeg een stadsbestuur geen steen op de andere.

In het bijzonder in Londen verhindert de versnippering van het bestuur en de macht van de grondbezitters de aanleg van de nodige netwerken – niet alleen boulevards, maar ook andere infrastructuur. In Rome werd het pas wat toen Mussolini aan de macht kwam. In Amsterdam hadden samenwerkingsverbanden van private partijen, zoals rond het Vondelpark, meer succes dan de overheid.

Vandalisme

De centrale stelling van Wagenaar is dat de carriere van een stad wordt bepaald door de mate van centralistisch autoritair bestuur en de mate van economische druk. Terwijl die eerste factor zorgt voor het al dan niet welslagen van monumentale doorbraken, beinvloedt de economische factor met name het ontstaan van idyllische suburbs en tuinstadswijken voor de betere middenstand die de overvolle stad wil ontvluchten. De Londenaren ontvluchtten de congestie en droomden van het platteland, de Parijzenaars zagen het platteland als een omringende oceaan van achterlijkheid waar men beter niet verzeild kon raken.

Echt veel nieuws brengt Wagenaar met deze inzichten niet te berde. Maar zijn vlotte socio-economische betoog is een tegenwicht tegen de nadruk die momenteel wel weer erg ligt op beeld en vorm van de stad. Alsof dat autonome factoren zijn in plaats van afgeleiden.

Een beetje autonoom is die vormdiscussie natuurlijk wel. Want al in de tijd van Haussmann pleitte bijvoorbeeld schrijver Victor Hugo voor behoud van de schilderachtige, middeleeuwse aspecten van Parijs. Hij hekelde het vandalisme van Haussmann: “Het vandalisme is architect geworden. Het zit lui achterover en neemt het ervan.” Ook in Brussel riepen de doorbraken van Anspach kritiek op van tegenstanders die pleitten voor het schilderachtige Vlaamse en Waalse in de stedenbouw. In Rome ging het om het behoud van het erfgoed van barok en renaissance. Nog steeds beroemd – en kortgeleden nog vertaald in het Nederlands – zijn de theorieen over schilderachtige stedenbouw die de Oostenrijker Sitte toendertijd formuleerde.

Verstikkend

Of is het toch weer uiteindelijk de mate van burgerlijke vrijheid die bepaalt hoeveel ruimte er is voor die pleidooien voor schilderachtigheid, voor verschil in bebouwing, voor particuliere eigenaardigheden? Een definitief antwoord op die vraag kan Wagenaar natuurlijk ook niet geven. Maar de relatie die hij laat zien tussen stedenbouw en politiek-bestuurlijke regimes is nog steeds van belang. Die spoort precies met de kritiek van architect/stedenbouwer Carel Weeber en van politicus Adri Duivesteijn op de verstikkende invloed momenteel van de overheid in de volkshuisvesting. Weebers pleidooi voor het Wilde Wonen is niet een kwestie van vorm maar van bestuur, organisatie en economische macht. Daarmee is het debat overigens verplaatst van de carriere van steden naar die van buitenwijken.

M. Branch: ‘An Atlas of rare city maps – comparitive urban design 1830-1842’. Uitg. Princeton Architectural Press; f. 142,50. ISBN 1-56898-073-6.

M. Wagenaar: ‘Stedebouw en burgerlijke vrijheid’. Uitg. Thoth; f. 59,50. ISBN 90 6868 195 8.

Reageer op dit artikel