nieuws

Groene hart is gebaat bij woningbouw Volgend kabinet kan niet om rapport Wetenschappelijke Raad heen

bouwbreed Premium

Aan het eind van het interview is de rustige, bedachtzame toon in zijn stem ineens weg. De woorden klinken als hamerslagen. “Het perspectief is er en de middelen zijn er. Het geld brandt de banken in de zak. Alleen kunnen ze die middelen op dit moment niet kwijt. Dus gaan ze van de gekkigheid overal in de wereld achterlijke bankjes kopen.”

Prof.dr.ir. Rudy Rabbinge lijkt van z’n eigen woorden te schrikken. Een schielijke blik naar de neutraal kijkende projectsecretaris dr. Maarten Hajer peilt het effect van de uitspraak. Is dit niet te veel van het goede?

Een uurtje tevoren vertrok de projectvoorzitter ruimtelijk beleid van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) geen spier toen hem om zijn oordeel werd gevraagd over de voetzoeker die Bolkenstein in de HSL-tunnel had gegooid. “Dat is een puur politieke aangelegenheid. Als burger heb ik er wel een mening over, maar het past mij niet om er als WRR-lid uitspraken over te doen.”

Ruimtelijke ordening is een gevoelig onderwerp. Schrijven dat het Nederlandse beleid op dit gebied niet deugt, is vloeken in de kerk. Wordt de Nederlandse ruimtelijke ordening niet overal ter wereld ten voorbeeld gesteld? Enkele weken nadat de WRR het faillissement van het huidige stelsel wereldkundig heeft gemaakt, inventariseert prof. Rabbinge de reacties. Het is al heel wat dat de politiek z’n hakken niet in het zand heeft gezet. Bij het zware oordeel dat de WRR in zijn rapport ‘Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek’ heeft gegeven, had dat natuurlijk best gekund, realiseert de projectvoorzitter zich.

“De analyse deugt”, weet hij. “De politiek kan niet om de argumentatie heen.” Bij de aanstaande kabinetsformatie zal het rapport een rol gaan spelen, verwacht hij.

Bij de provinciale en lokale bestuurders stuit het vernietigende oordeel, voor zover Rabbinge heeft kunnen nagaan, niet echt op grote bezwaren. Ook daar is men blijkbaar tot het inzicht gekomen dat het decentraliteitsprincipe niet altijd werkt.

Legt uit wat dit principe inhoudt: “Alle beslissingen moeten op een zo laag mogelijk niveau worden genomen. Dat principe heeft in het ruimtelijk beleid altijd heel sterk gegolden. Maar het is wel in strijd met een ander beginsel, namelijk dat je alleen organisaties, bestuurslagen met taken kunt belasten, waartoe zij ook de mogelijkheden hebben. Het is gewrongen om de gemeente Haarlemmermeer te laten beslissen over Schiphol. Wij zeggen: het decentraliteitsprincipe deugt niet. Daarmee hebben we de vinger op de zere plek gelegd.”

In essentie houdt het advies aan de regering de invoering in van een ruimtelijke hoofdstructuur, waarin de WRR drie soorten gebieden onderscheidt: nationale projecten, ontwikkelingsgebieden en basisgebieden. Omwille van een slagvaardig beleid moet de rijksoverheid bij nationale projecten meer planbevoegdheden krijgen. Krijgt, of liever gezegd neemt de rijksoverheid die niet dan is de kans groot dat de verstedelijking uit de hand loopt.

“Het concept van de compacte stad voldoet niet meer”, constateert prof. Rabbinge. “Op het moment dat de steden aan elkaar groeien, ontstaat er een inversie. Open buitenstedelijke ruimten worden binnenruimten. Dan zeggen wij dat je op een ander schaalniveau naar concentratie moet kijken. Niet vanuit het huidige stadsidee, maar in het perspectief van de Randstad als metropool.”

De gebieden waar nationaal beleid moet worden gevoerd, liggen natuurlijk wel op de meest gevoelige plekken.

R: “Het gemeentebestuur zou ook kunnen zeggen ‘gelukkig maar dat mij dingen worden ontnomen’. In het groene hart moeten lokale bestuurders bijvoorbeeld de belangen van de mensen in de stad waarborgen – die willen het groene hart openhouden – terwijl zij vanuit hun lokale gemeenschap veel druk krijgen voor expansie.”

Mensen die er zijn geboren en getogen, worden gedwongen elders te gaan wonen.

R: “Dat is toch te gek voor woorden. Je moet de lokale besturen een beetje uit de wind houden. Je moet voorkomen dat ze gedwongen worden dingen te doen waar ze de grootst mogelijke moeite mee hebben.

Als nationale overheid moet je terughoudend zijn. Zorgen voor bereikbaarheid, dat is de belangrijkste taak van het Rijk, het aanleggen van de hoofdstructuur. Bereikbaarheid moet het uitgangspunt zijn van verdere ontwikkeling door provinciale en lokale overheden.”

De bereikbaarheid van de Randstad is volgens de WRR het aangewezen voorbeeld van een nationale opgave. “Als daarvan een nationaal project wordt gemaakt, zal de flexibiliteit van de gemeenten toenemen. Gemeenten zullen het als een verademing ervaren dat er iets gebeurt waar ze werkelijk baat bij hebben. Het is meer dan vechten om een paar woninkjes”, vervolgt Rabbinge. “Die zijn bijna altijd wel ergens in te passen. Je moet voorkomen dat je alleen maar musea creeert.”

De net binnengekomen Maarten Hajer haakt er meteen op in. “Voor zover het in een algemeen ontwikkelingsconcept past, kun je best wat woningbouw toelaten.”

De neiging van gemeenten om zelf al hun behoeften te accommoderen, heeft in de ogen van Hajer alles te maken met het ontbreken van een ontwikkelingsvisie. “Om een heel mooi open en vooral groen gebied te ontwikkelen, zou hier en daar een uitruil van groen tegen woningbouw mogelijk moeten zijn”, vindt hij. “Woningbouw heb je vaak nodig om groenstructuren te kunnen financieren.”

De gemeenten werken mee omdat de rijksoverheid geld meebrengt.

R: “Zo moet je dat niet zien. Afkopen, werkt maar heel bescheiden. Kijk naar de Betuwelijn. Het is een dure liefhebberij, maar je verwerft er niet echte medewerking mee. Gemeentebesturen werken mee door ontwikkelingen gezamenlijk in gang te zetten, te faciliteren en te koppelen aan lagere overheden.”

H: “Als je zo’n grote ingreep pleegt, kijk dan meteen naar het hele gebied. Op regionaal niveau wordt vaak anders over de waarde van bepaalde gronden gedacht.

Het is een gemiste kans als je de regionale potenties niet uitbuit.”

De legitimiteit van beslissingen staat ter discussie.

R: “Wij proberen die legitimiteit te versterken.”

Lobbies blijken in staat die legitimiteit telkens weer te politiseren. Het woord ‘machteloosheid’ komt een aantal keren in het rapport voor.

R: “Er zijn veel veranderingen gaande. Die beweging kun je benutten om dingen in een andere richting te sturen.”

Volgens de grondbeginselen van het jioe-jitsoe..?

R: “… kun je met een klein beetje energie veel bereiken. Het bekende voorbeeld is het HSL-station in Arnhem. Op het moment dat de rijksoverheid in Arnhem een stopplaats plant, moet de regionale overheid zeggen: die kans grijpen wij met beide handen aan. Wij gaan Midden-Gelderland tot ontwikkeling brengen. Wij gaan die internationale taakstelling waarmaken.”

Als je naar de Zuidas kijkt, kun je ook concluderen dat de markt het zelf wel regelt. Amsterdam wilde de IJ-oevers ontwikkelen.

R: “Dat is een voorbeeld waaruit blijkt dat je naar bestaande ontwikkelingen moet kijken.”

Amsterdam heeft die ontwikkeling genegeerd. Het bedrijfsleven wilde naar de Zuidas.

R: “Sterker: er was vroeger een ontwikkeling in die richting. In de plannen van Berlage was al voorzien dat de Zuidas een hele belangrijke functie zou gaan vervullen. Het is wel gefaciliteerd, maar niet gestimuleerd. Naderhand wel.”

Omdat grote marktpartijen zeiden: of we vestigen ons daar of we gaan de stad uit.

H: “Precies. Op een gegeven moment moet je aansluiten bij dat soort ontwikkelingen, maar dat is niet hetzelfde als de markt volgen.”

Moet je kwesties als Schiphol niet gewoon via de portemonnee regelen? Het fiscaal oplossen?

H: “Met zeer veel overheidsgeld zijn locaties als Schiphol en de Zuidas extreem goed bereikbaar geworden. Dat betekent niet dat je de kantoorontwikkeling er omheen onbeperkt moet laten doorgaan. Omdat daardoor de bereikbaarheid weer wordt opgeheven. Je moet niet achter ontwikkelingen aanlopen en dweilend overal infrastructuur aanleggen.

Een akkoord over een ontwikkelingsgebied – ‘hier gaan we het doen’ – houdt tevens in het ergens anders groen te houden -‘dus daar niet’.

Uw vraag: moet je dat niet allemaal via de markt doen?, daarop zeggen wij: dat zou mooi en aardig zijn als die markt perfect was. We weten al te goed dat dit niet het geval is. We weten dat niet alleen economische doeleinden tellen. Aan de overheid de taak dingen te waarborgen die op dit moment nog niet in materiele zin zijn betaald, maar publiek wel worden gewaardeerd.”

Kun je dat wel aan de politiek overlaten?

R: “De politiek, dat zijn wij allen. Als je weinig vertrouwen hebt in jezelf dan is dat natuurlijk beroerd.

De grilligheid van de politiek heeft te maken met het ontbreken van een duidelijke doelformulering. Als wij zeggen ‘je moet de dynamiek benutten’ is het niet zo dat de ene keer het water van Zwitserland naar Nederland stroomt en de volgende keer van Nederland naar Zwitserland. Zo snel gaat dat niet.”

Zijn er omstandigheden denkbaar waarin de overheid het consensusmodel terzijde schuift en besluit: zo en zo gaan we het doen?

R: “Dat werkt niet in een mondige samenleving.”

Parijs zou Parijs niet zijn indien het centrum honderd jaar geleden niet drastisch op de schop was genomen.

R: “Dat was in die tijd heel geeigend. Maar is het nou zo aantrekkelijk zoals al die buitenwijken groeien? Je moet nu oplossingen kiezen waarmee ook volgende generaties zich aan de buitenwereld kunnen tonen.”

Mensen willen steeds meer ruimte voor wonen en recreeren.

H: “Tegelijkertijd zien mensen steeds beter wat de macro-effecten zijn van het collectieve streven naar een huis met een tuin. Privaat de baten van de welvaartsstijging pakken en de politiek aanspreken op het niet in de hand houden van de macrofeiten, dat werkt natuurlijk niet. Je moet de legitimiteit van de plannen versterken door de mensen ook met de macro-effecten te confronteren en daarover besluiten te laten nemen.”

Het moet toch eerst fout gaan voordat mensen tot inzicht komen. Zie de uittocht uit de Randstad.

R: “Dat is een averechtse ontwikkeling. Een gevolg van slechte bereikbaarheid.”

H: “Daarom zeggen wij: de overheid moet zich voor alles bezig houden met de bereikbaarheid. Selectieve bereikbaarheid is de sleutel tot verdere ontwikkeling. Zoals Rem Koolhaas zegt: de overheid moet zo’n gebied irrigeren met potentie. Wat nu wegloopt uit de Randstad zal vermoedelijk blijven indien de overheid een perfecte bereikbaarheid aanlegt.

De Randstad heeft ongekende groeimogelijkheden. Maar je kunt niet zeggen dat we nu een groene wereldstad hebben. We hebben vier compacte stadsgewesten met een hele hoop ongewenste bebouwing ertussen.

Het is niet een gebrek aan ruimte. We hebben een te veel aan ruimte. Te veel in de zin dat we daar nog heel veel keuzes hebben, moeten en kunnen doen.”

Een klein groepje weet de aanleg van de A-4 van Wateringen naar Schiedam al jaren tegen te houden.

H: “Dat zijn dingen waar wij geen oplossing voor aanbieden. We doen geen suggesties voor het saneren van inspraakmogelijkheden.

Het probleem is ook dat al die tijd onduidelijk is gebleven hoe belangrijk die weg is in het overall plaatje van de Randstadontwikkeling.”

Grote groepen mensen die buiten de boot zijn gevallen, hebben de hakken stevig in het zand gezet.

R: “We hebben het idee dat de overheid de hindermacht stimuleert. Door de huidige bestuurlijke wijze van werken, worden de maatschappelijke stakeholders niet in de besluitvorming meegenomen, maar juist tegen de haren in gestreken. Wij zeggen: gebruik die strategische allianties van de milieubeweging, van de landbouw en de natuurbeweging.

Door de bank genomen zijn mensen constructief. Een aantal is overal tegen. Dat is een hele kleine groep die overvleugeld wordt zodra andere ontwikkelingen worden gestimuleerd.

Gaat het veel geld kosten? Jawel, maar het is zeker mogelijk om dat gefinancierd te krijgen.”

‘Woningbouw heb je nodig om groenstructuren te kunnen financieren’

‘Dat is toch te gek voor woorden’ (Dat mensen niet in hun geboorteplaats kunnen blijven wonen)

‘Je moet niet achter de ontwikkelingen aanlopen en dweilend overal infrastructuur gaan aanleggen’

‘Het is niet een gebrek aan ruimte. We hebben een teveel aan ruimte’

Projectvoorzitter ruimtelijk beleid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid prof. dr. ir. Rudy Rabbinge: “We hebben de vinger op de zere plek gelegd.”

Projectsecretaris dr. Maarten Hajer: “De overheid moet zich voor alles bezig houden met bereikbaarheid.”

Reageer op dit artikel