nieuws

Gevolgen euro manen Nederland nog niet tot meer voorzichtigheid

bouwbreed Premium

Het lijkt zo aantrekkelijk: overal in Europa met dezelfde centjes betalen. Exporteur en importeur hoeven niet langer te rekenen wat een bestelling in/uit een ander land moet kosten. Voorbij is het ook met de wrange vaststelling dat wijzigingen van de koers die bestelling duurder maken of minder laten opbrengen dan aanvankelijk gedacht. De gezamenlijke Europese munt, de euro, rekent daarmee voorgoed af. En er zijn meer voordelen, stellen de voorstanders. Niet iedereen lijkt daarvan echter overtuigd. Temeer niet omdat de munt van het ene Europese land beduidend minder stabiel is dan die van het andere.

Nederland nogal relaxed over euro

Terwijl Nederland tamelijk gerust lijkt over de euro, doet zich in Duitsland het omgekeerde voor. Deze onrust vindt z’n weerslag in vele tientallen publicaties. Onder meer de Nederlandse bouw(verwante)bedrijven doen er goed aan zich wat drukker te maken over de komende Europese munt. De Duitse zorgen raken Nederland direct; de Nederlandse gulden is immers gekoppeld aan de Duitse mark. Dat laat onverlet dat een verenigd Europa niet zonder een gezamenlijke munt kan. De komst daarvan vergt echter meer dan een politiek besluit.

De Duitse mark is Europa’s sterkste munt en geeft door de koppeling de Nederlandse gulden dezelfde status. ‘Sterk’ staat hier voor ‘maatgevend’ en ‘weinig bevattelijk voor schommelingen in de waarde’. Duitsland onderstreept die kwalificaties met gepaste trots, temeer omdat de bondsrepubliek er internationaal economisch aanzien mee boekt.

Om die reden verzet het overgrote deel van de bevolking zich tegen de euro. Zij vrezen dat de Europese munt het zonder de stabiliteit van de mark zal moeten stellen. Die stabiliteit blijft uit wanneer de euro volgens het plan tussen 1999 en 2002 wordt ingevoerd. De politieke leiders van Duitsland vertellen met grote stelligheid dat de euro dezelfde sterkte krijgt als de mark. Dat laatste lijkt erg onlogisch.

Eenheid

Het bewijs daarvoor is in de bondsrepubliek zelf te vinden. Het oosten en het westen van Duitsland vormen al zeven jaar een staat. Nog altijd is er geen sprake van een economische eenheid. Lonen, pensioenen en uitkeringen zijn wel bijna maar nog niet geheel aan elkaar aangepast. Zou het oosten van Duitsland nog steeds een eigen munt hebben dan zou die pas over een of twee jaar dezelfde waarde hebben als de D-mark. De aanpassingstermijn beloopt daarmee in elk geval acht jaar.

Aan de waarde van een munt zit meer vast dan enkel een politiek besluit. Een munt weerspiegelt de economische eenheid van een land. En naast die aspecten spelen ook nationale eigenschappen en hoedanigheden een niet onbelangrijke rol. Besluiten landen met gelijkwaardige munten om een gezamenlijke betalingseenheid in te stellen, dan is er niet zoveel aan de hand. De som van de deelnemende waarden blijft dan op een vergelijkbaar niveau. Anders wordt echter het wanneer landen met minder stabiele munten toetreden. De lagere waarde levert dan een lagere som op.

Reputatie

Waarom moet de euro met politiek geweld, tegen de waarschuwingen en adviezen van experts in, toch op korte termijn worden ingevoerd? De reden daarvoor ligt in de lange weg die politieke besluiten gaan voordat ze worden ingevoerd. Het besluit voor de euro viel in 1991 in Maastricht. De munt maakt deel uit van het Europese Monetaire Fonds dat bij die gelegenheid werd vastgesteld. In 1991 waren de criteria voor de meeste lidstaten nog acceptabel en uitvoerbaar. Dat veranderde in de volgende zeven jaar. De staatsschulden blijven oplopen en de inflatie neemt toe.

Deze feiten maken het voor de deelnemers steeds moeilijker te voldoen aan de normen van 1991. Uitstel betekent een wijziging van de voorwaarden. Als gevolg daarvan raakt de reputatie van de euro al bij de invoering flink beschadigd.

Een eeuw

De argumenten van de euro-voorstanders zijn welbeschouwd onduidelijk en summier. De exporterende industrie ziet in Europa het valutarisico verdwijnen. De bewering dat een Europese munt banen schept is door de voorstanders nog niet met argumenten onderbouwd. De nadelen zijn tot nog toe alleen gevoelsmatig maar komen wel logischer over. De voorstanders trekken vaak een vergelijking tussen het verenigde Europa en de Verenigde Staten van Amerika. De Amerikaan kan in heel het land terecht met de dollar. Het duurde evenwel om en nabij een eeuw voordat die eenheidsmunt in alle staten werd ingevoerd.

Vier terzakekundige Duitse professoren hebben bij de hoogste rechterlijke instantie van de bondsrepubliek een klacht ingediend tegen de snelle invoering. Die werd echter afgewezen; het Bundesgerichtshof achtte zich niet bevoegd uitspraken te doen over politieke meningsverschillen.

Drugshandel

‘De politiek’ acht het voldoen aan bepaalde criteria blijkbaar genoeg. Sinds 1 april voldoen, op Griekenland na, alle Europese lidstaten aan de euronormen. De manier waarop dat gebeurt wekt verbazing. Nederland telt bij het Bruto Nationaal Product de (vermoedelijke) opbrengsten van de prostitutie, drugshandel en gokindustrie op. Er is weinig fantasie voor nodig om vast te stellen hoe sommige landen hun tekorten hebben ‘bijgeschaafd’. Italie voldeed ineens tegen ieders verwachting in aan alle voorwaarden.

Onbekend blijft welke formule de waarde van de euro per land bepaalt. Het systeem van de ECU werd niet gevolgd. Onduidelijk is ook wat er gebeurt wanneer een land zich op een gegeven moment niet langer aan de voorwaarden houdt. De regels voorzien weliswaar in een boete, maar gaan niet in op de gevolgen voor een land dat de boete niet betaalt. De politiek moet onder meer hiervoor nog maatregelen bedenken. Mogelijk bepaalt ‘Brussel’ op termijn de gang van zaken rond de euro.

Het is geen logische stap een nieuwe munt reeds bij het begin van de Europese samenwerking in te voeren. Dat kan pas wanneer alle deelnemers voldoen aan de voorwaarden voor een gemeenschappelijke munt en dat gebeurt pas wanneer de verschillende economieen een grotere eenheid vormen dan nu. Een goede samenwerking gaat voorlopig ook met verschillende valuta’s.

Wereldwijd gebruikt

Vanaf 1999 betaalt Europa met de euro. Zweden en Griekenland doen om convergentie-technische redenen niet mee. Groot-Brittannie en Denemarken zien om politieke redenen van deelname af. De zogeheten eurozone telt in het laatste jaar van deze eeuw zo’n 290 miljoen inwoners. Het Bruto Nationaal Product (BNP) van Europa komt overeen met dat van de Verenigde Staten en bedraagt 19,4 procent van het mondiale BNP. De buitenlandse handel levert 18,6 procent van het Europese BNP. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten beloopt dat aandeel 16,6 procent.

De Europese Commissie gaat er met de financiele kringen van uit dat de euro zich mede daardoor kan ontwikkelen tot een wereldwijd gebruikte munt. In de deelnemende landen blijven prijsstijgingen beperkt tot 1,6 procent en komen de langlopende renten uit op 6 procent. De momentele waarden belopen respectievelijk 1,3 en 5,5 procent.

Euronorm

De Nederlandsche Bank (DNB) twijfelt sterk aan het vermogen van Belgie en Italie om zonder problemen te kunnen deelnemen aan de euro. Beide landen hebben een meer dan aanzienlijk deel van hun openbare schulden met kortlopende kredieten gefinancierd. In Italie gaat het om 60,1 procent en in Belgie om 30,1 procent. In Duitsland en Nederland gaat het om respectievelijk 11,3 en 4,4 procent. Het lopende tekort hangt in Belgie en Italie daardoor sterk af van de rente. Stijgt die met bijvoorbeeld 1 procent dan ziet Italie het tekort oplopen met 1,2 procent van het BNP. Eveneens door rente-ontwikkelingen daalde in de afgelopen vijf jaar het Belgische tekort. Dat gebeurde met 5 procent waarvan 2,8 procent voor rekening van de rente kwam. De verkoop van goud verminderde de schuld eveneens. Italie boekte goede resultaten met eenmalige maatregelen zoals een eurobelasting.

DNB meent dat beide landen zich forse inspanningen moeten getroosten om blijvend aan de euronorm te kunnen voldoen. Belgie moet tot een jaarlijks begrotingsoverschot van 2,7 procent van het BNP zien te komen. Italie moet naar een overschot van 3,1 procent werken. De huidige schuld van ruim 120 procent van het BNP vermindert dan in 2007 tot de 60 procent die het Verdrag van Maastricht voorschrijft.

Openbare tekorten in procenten van het BNP ’93 ’97 ’98* Belgie -7,1 -2,1 -1,7 Denemarken-2,8 0,7 1,1 Duitsland -3,2 -2,7 -2,5 Finland -8,0 -0,9 0,3 Frankrijk -5,8 -3,0 -2,9 Griekenland -13,9 -4,0 -2,2 Groot-Britt -7,9 -1,9 -0,6 Ierland -2,7 0,9 1,1 Italie -9,5 -2,7 -2,5 Luxemburg -1,7 -1,7 1,0 Nederland -3,2 -1,4 -1,6 Oostenrijk-4,2 -2,5 -2,3 Portugal -6,1 -2,5 -2,2 Zweden -12,2 -0,8 0,5 Spanje -6,9 -2,6 -2,2 * prognose

(bron: Europese Commissie)

Reageer op dit artikel