nieuws

Bewoners overleggen direct met installateur Integratie wonen en werken biedt nieuwe kansen

bouwbreed Premium

Installateurs zullen in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met bewoners. Kennis van bewonerswensen wordt belangrijker dan technische kennis van gasbuis, elektriciteitskabel en waterleiding. Zo ziet prof. Hugo Priemus de rol van ‘De installateur in het jaar 2000’, het thema van het vrijdag in Scheveningen gehouden VNI-jubileumcongres.

Met de keuze voor volkshuisvestingsprofessor Hugo Priemus als feestredenaar geeft de VNI aan vooral behoefte te hebben aan een brede verkenning van de veranderingen op de woningmarkt. Bekeken door de bril van een nuchtere wetenschapper blijkt het allemaal niet zo’n vaart te lopen. “In de volkshuisvesting vallen de constanten meer op dan de innovaties. Een woning gaat gemiddeld 110 jaar mee”, relativeerde Priemus het opgeklopte idee dat “het leven een alles-is-anders show is, waarin het bouwen en wonen kenmerken heeft van de ruimtevaart en de robotica”.

Bejubelde innovaties in de jaren zestig – zoals grootschalige montagebouw – zijn nu het minst populair, constateerde de hoogleraar. “In 1998 is het alom baksteen en hout dat de klok slaat”, zette hij de hooggespannen verwachtingen even op ‘hold’.

Prikkertje

We laten ons te gemakkelijk door de waan van de dag meeslepen. “Sommige bouwbedrijven en architecten denken dat zij op het gebied van milieukwaliteit kranige prestaties leveren”, duwde Priemus een venijnig prikkertje in deze luchtballon. “De milieueffecten van woningen die worden beschouwd als de paradepaardjes van het duurzaam bouwen, blijken ongunstiger te zijn dan die van gemiddelde nieuwbouwwoningen.”

Dat hangt samen met het toegenomen bezit van auto’s, vrieskisten, airconditioning en afwasmachines. “We belijden duurzaamheid met de mond en met de folder, maar laten ons er in en om de woning weinig aan gelegen liggen”, aldus Priemus. Hij acht het onontkoombaar dat in de toekomst “enorme kwaliteitssprongen nodig zijn op het gebied van energie- en waterbesparing, duurzame energiebronnen, geluidswering, reductie verbruik van schaarse grondstoffen, terugdringing van de emissie van broeikasgassen en indamming van afvalstromen”. Niet door deze veranderingen te subsidieren, maar door heffingen in te voeren op energie en andere vormen van ecotax.

Waar toekomstige huishoudens mee gebaat zijn, is vergroting van de flexibiliteit en aanpasbaarheid van de woning. 80 Procent van de startende ondernemers werkt in hun woning, signaleert Priemus een nieuwe post-industriele integratie van wonen en werken.

Voor installateurs ziet de hoogleraar perspectieven in de extra voorzieningen die het gecombineerd wonen en werken vergen. Nieuwe kansen liggen er in koophuurformules die de bewoners meer ruimte geven voor eigen aanpassingen, waarbij vraag zal ontstaan naar deskundig advies, ook op gebied van installaties. Toenemende kleinschaligheid in nieuwbouwprogramma’s doet een beroep op de creativiteit van installateurs.

Zorgarrangementen

“Pas geleidelijk dringt het besef door”, betoogde Priemus, “dat het vastgoedbeheer moet worden gecombineerd met een omvangrijk pakket diensten en zorgarrangementen”. Domotica, waarmee energiebeheer, alarmering en communicatie kan worden geregeld en verbeterd, biedt de installatiebranche volop mogelijkheden. Collectieve systemen zullen aan populariteit inboeten. Bewoners willen zelf verwarming, ventilatie, lichtniveau, gas- en waterverbruik reguleren. Priemus: “Alle aanbieders op de woning- en woningbouwmarkt, dus ook de installateurs, zullen ondervinden dat de positie van bewoners (op een vragersmarkt) sterker wordt.”

Reageer op dit artikel