nieuws

What’s in a name?

bouwbreed

Die vraag stelt Shakespeare ons in zijn Romeo and Juliet en om aan te geven dat een naam alleen niet zo veel zegt, voegt hij er aan toe: “That which we call a rose by any other name would smell as sweet.” Met andere woorden, dat een roos zo heerlijk ruikt ligt niet aan haar naam. Dat geldt ook voor de benamingen die wij aan overeenkomsten geven. Belangrijker dan wat wij erboven zetten is de inhoud ervan en de manier waarop wij er uitvoering aan geven.

Dat had ook de Raad van Arbitrage in het achterhoofd toen de opdrachtgever van een turn-key aannemingsovereenkomst zich beriep op de naam van de overeenkomst die hij met een aannemer had gesloten. Wanneer dat gebeurde bleek niet uit het schriftelijke stuk waarin dat was vastgelegd, want in de arbitrageprocedure waarin het beroep op het turn-key karakter werd gedaan, bleek dat de overeenkomst niet gedateerd was. Het moet ergens in 1991 zijn geweest hoewel boven de handtekening van de opdrachtgever 22 september 1993 stond!

De aannemer ontkende niet dat hij als contractpartij op grond van die overeenkomst gehouden was het daarin beschreven werk tot stand te brengen en op te leveren. Hij had dat ook nodig want hij diende zijn meerwerkvordering juist in omdat hij meer had gedaan dan waartoe hij op grond van de overeenkomst verplicht was.

Bij zijn tegeneis, die gebaseerd was op de aansprakelijkheid van zijn aannemer voor de na de oplevering aan het licht gekomen gebreken, beriep de opdrachtgever zich op het karakter van de aanneming. Boven de tekst van de overeenkomst stond dat duidelijk aangegeven. In een turn-key overeenkomst geven partijen immers aan, dat gebreken als gevolg van ontwerp- en uitvoeringsfouten altijd voor rekening en risico van de aannemer zijn.

Voor de Raad ontkende de aannemer echter dat hier sprake was van een turn-key contract. Daarover moesten dus de drie scheidslieden van de Raad een beslissing nemen. Nu ligt het, zoals gezegd, niet alleen aan de inhoud van zo’n overeenkomst of die wel het voornoemde karakter verdient, ook de manier waarop partijen er uitvoering aan geven is daarbij van belang.

Wat dat laatste betreft was alleen het begin goed. De opdrachtgever liet een programma van eisen opstellen en vroeg in mei 1991 aan de aannemer een offerte daarvoor uit te brengen. Dat gebeurde en de bouw begon op basis van de – overigens door de aannemer helemaal niet ondertekende – overeenkomst, waarvan hij niet kon ontkennen dat hij had ingestemd met de daaraan gegeven benaming.

Hier was de manier waarop aan de overeenkomst uitvoering werd gegeven beslissend voor de vraag of ook in dit geval op grond van een turn-key karakter kon worden beslist over de aansprakelijkheid van de aannemer.

Ook in dit geval; het was immers niet het eerste in deze rubriek besprokene, waarin de opdrachtgever het niet kon opbrengen om rustig het moment af te wachten waarop zijn aannemer hem de sleutel van het kant en klare project zou overhandigen.

In juli 1994 vertelde ik u in twee afleveringen wat zich in Den Haag had voorgedaan bij de bouw van twee parkeergarages, die ook in een turn-key opzet gebouwd moesten worden onder het Malieveld en het Van der Venneplantsoen in de Schildersbuurt.

Met de bouw van die laatste parkeergarage ging onze Hofstad helemaal in de fout. Vanaf het begin bemoeide de (toenmalige) Dienst der Gemeentewerken zich zo intensief met de bouw, dat er in de praktijk geen sprake meer was van de daarvoor gekozen opzet.

Niet alleen beoordeelde die gemeentelijke dienst regelmatig de manier waarop aan de overeenkomst uitvoering werd gegeven; er kwamen ook aanwijzingen van de door de gemeente aangewezen architect. Dat kan helemaal niet in een turn-key contract en zo eindigde de procedure voor een door beide partijen aangewezen scheidsman in een afwijzing van de Haagse schadeclaim van ongeveer een kwart miljoen gulden.

Voor de Haagse wethouder Noordanus was dat aanleiding om de onder hem ressorterende ambtelijke diensten te laten weten dat zij zich van bemoeienis met turn-key projecten dienen te onthouden.

De opdrachtgever, die in 1993 dezelfde fout maakte door het werk te laten uitvoeren onder toezicht van iemand van hetzelfde bureau dat voor hem het programma van eisen had opgesteld, kon het Haagse verhaal in deze rubriek toen nog niet gelezen hebben. Dat werd immers pas een jaar later gepubliceerd omdat de afwikkeling van zo’n geschil vaak langer duurt dan het ontstaan ervan.

Maar ook zonder dat verhaal had hij zich natuurlijk door de eerste de beste bouw(recht)kundige kunnen laten vertellen, dat hij zich niet met de bouw moet bemoeien als hij van de rechten, die een opdrachtgever in zo’n overeenkomst heeft, wil profiteren. Hier bleek die bemoeienis het duidelijkst uit het feit dat iemand van het bureau dat voor hem het programma van eisen had opgesteld, niet alleen het toezicht op de bouw voor hem hield maar zelfs de bouwvergaderingen voorzat.

Er was wel een architect, maar diens positie was bijzonder vaag. De Raad kon er zelfs niet uitkomen of hij de aannemer vertegenwoordigde. De bouwvergaderingen werden slechts een enkele maal door hem bijgewoond en bij de oplevering was hij zelfs niet eens aanwezig.

Op deze gronden kwamen de drie scheidslieden van de Raad tot de conclusie dat hier niet de benaming van de overeenkomst maar de inbreng van de opdrachtgever bij de totstandkoming en bij de uitvoering ervan beslissend was voor de vraag of hier de grotere verantwoordelijkheid van de aannemer bij turn-key overeenkomsten gold.

Dit hoeft geen reden te zijn om maar geen turn-key overeenkomsten meer te sluiten (Noordanus’ reactie was dat zij wat hem betreft eerder uitzondering dan regel zullen zijn), maar wel om je als opdrachtgever te realiseren dat je die vorm niet moet kiezen als je je met de uitvoering van het project wilt bemoeien zoals Den Haag en de opdrachtgever uit dit verhaal deden.

(BR 1997 p. 689)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels