nieuws

Libeskind ver voorbij de haakse hoek

bouwbreed

Wekenlang leek het Architectuurinstituut een scheepswerf. Dag en nacht galmde in de grote zaal het geluid van staal op staal en weerlichtte het lassen. In ploegendienst is gewerkt aan ‘Beyond the wall 26.36 gr. C.’, de grootste en duurste tentoonstelling ooit in het NAi gehouden. Een uitgelezen kans om kennis te maken met het werk van Daniel Libeskind. Om kennis te maken met architectuur die, zoals de titel uitdrukt, het stadium van gewone muren en wanden en van haakse hoeken ver voorbij is.

Sinds mensenheugenis bestaat architectuur uit wanden. vloeren, daken. Sinds een jaar of tien rammelt het deconstructivisme aan deze begrippen. Wat maakt dat wij een gebouw onmiddellijk herkennen als gebouw? Zou je een gebouw kunnen maken dat nergens op lijkt? Is architectuur denkbaar zonder muren? Vanaf vandaag kan het grote publiek lijfelijk ervaren hoe dergelijke architectuur voelt. Vanochtend is ‘Beyond the wall 26.36 gr. C.’ in het NAi geopend, een bijzondere tentoonstelling over architectuur die het stadium van wanden en haakse hoeken voorbij is.

Of moeten we zeggen dat het een gebouw in een tentoonstellingsgebouw is geworden? In de week voor de opening lijkt het of er in slow motion een reuzenschip opduikt uit de vloer van de grote zaal van het Architectuurinstituut. Een stalen boeg die gewikkeld is in een krachtmeting met het betonnen gebouw – wat is sterker, wat versplintert? Nog niet eerder leverde een tentoonstelling in het NAi zo’n aangrijpend beeld op, zo’n directe ervaring van grensverleggende architectuur. De architect ervan: Daniel Libeskind.

Wie? Libeskind? Niet direct een bekende naam waarvoor het grote publiek in de rij gaat staan. Trouwens ook in architectuurkringen een naam die gemengde gevoelens oproept. Opmerkelijk dus dat hij zo groots mag uitpakken. Het is wel effectief: de bizarre en vaak ontoegankelijke wereld van zijn maquettes en tekeningen wordt door het stalen ‘tentoonstellingsgebouw’ op slag concreet.

Homo universalis

Libeskind is in 1946 uit Joodse ouders geboren in Polen maar inmiddels allang Amerikaans staatsburger. Hij studeerde architectuur maar ook enkele jaren muziek, geschiedenis en filosofie in Israel, Engeland, Amerika. Kortom een wereldburger en homo universalis.

Lange tijd leverde hij voornamelijk obscure teksten af en theoretische projecten, zoals de Micromegas, tekeningen die eruitzagen als explosies van bouwdelen. Ook maakte hij onmogelijke machines, een leesmachine en geheugenmachine. Voor bouwkundigen was het duidelijk: hier was een kunstenaar aan de gang, dus mocht zijn werk ondoorgrondelijk en nauwelijks architectonisch zijn. In dit bestaan als kunstenaar en theoreticus kwam een kentering toen hij in 1989 de opdracht won voor uitbreiding van het Museum van Berlijn met een Joods Museum.

Sinds het winnen van deze prijsvraag heeft Libeskind een bureau in Berlijn. En sindsdien won hij ook andere grote bouwprojecten: in 1995 een concertgebouw in Bremen en het jaar daarop de uitbreiding van het Victoria en Albert Museum in Londen. In Osnabruck is het Nussbaum Museum naar zijn ontwerp in aanbouw, in Japan werkt hij aan een observatorium en stadspark. Niet langer is hij de obscure theoreticus of de kunstenaar die nu eenmaal het recht heeft onbegrijpelijk te zijn. Hij kan nog echt bouwen ook. Zijn ‘onmogelijke’ maquettes blijken reele gebouwen te kunnen worden. Het Joods Museum, bijna af, is een in beton gestolde en met metaalplaat beklede bliksemschicht naast het classicistische Museum van Berlijn en trekt al de aandacht van alle internationale architectuurbladen.

In Nederland is hij niet geheel onbekend. De stad Groningen leverde hij in 1990, toen de stad 950 jaar bestond, de mysterieuze ‘Boeken van Groningen’: een programma voor nieuwe stadspoorten, tekens die de toegang tot de stad markeren. In Almere is deze zomer een niet minder mysterieus project van zijn hand gereedgekomen, de Polderland Garden of Love and Fire.

Gevouwen labyrint

Beide Nederlandse projecten maken duidelijk hoe belangrijk voor Libeskind de geschiedenis van de locatie is. Dat wil niet zeggen dat hij een soort objectiviteit van bijvoorbeeld oude rooilijnen of sporen in het landschap letterlijk overneemt, nee, alles is bij hem vooral een persoonlijke interpretatie van de gelaagdheid van het leven en de aarde. En niet de stad bepaalt de vorm van het gebouw, het is omgekeerd, elk gebouw definieert opnieuw de omringende stad. “De vorm van een gebouw”, zegt hij in zijn onnavolgbaar idioom, “komt voort uit ontelbaar veel spirituele avonturen, wordt kwantificeerbaar en concreet als deze samengaat met het leven van alledag. Elk gebouw houdt daardoor een nieuwe stad in, waarvan de contouren zich aftekenen door middel van dat gebouw, en hoewel het gebouw een ogenschijnlijk kleine plaats inneemt zonder enige verdere consequenties, zijn de vertakkingen in de collectieve droom van het leven net zo levendig en precies als een realiteit”.

Zowel in Groningen als in Almere manifesteert Libeskind zich als kunstenaar. In het NAi kan Nederland voor het eerst kennismaken met de architect. Natuurlijk via de tentoongestelde maquettes en tekeningen van zijn projecten, al is een groot deel daarvan nooit gerealiseerd. Maar vooral door de inrichting zelf, een constructie van stalen schotten die geinspireerd is op het uitbreidingsplan voor het Victoria en Albertmuseum. Net als in Londen gaat het om een lang smal vlak dat tot een hoekige spiraal is gevouwen, een labyrint voor de bezoekers.

Zonder tolerantie

De vele vouwen, knikken en hoeken maken de bouw van het tentoonstellingslabyrint tot een technisch hoogstandje. Dat het (bijna) allemaal tot op de millimeter past, is een klein wonder. Florian Kohl, Libeskinds projectleider ter plekke, licht toe: “Tijd was de grootste moeilijkheidsfactor. In twee weken is het ontwerp gemaakt. In vijf dagen is het bestek geschreven en vertaald. Leebo Bouwsystemen, die de bouw uitvoert, kreeg drie dagen de tijd om het te bestuderen. Constructeur Ove Arup had nog nauwelijks berekeningen kunnen maken toen het materiaal al moest worden besteld: ruim vier kilometer C- en U-profielen van het door Hoogovens gesponsorde Starframe en 1800 vierkante meter vlakke staalplaat – in totaal 35 ton staal.”

Het werk is deels met de computer gedaan. Dat is al een vooruitgang vergeleken met de gevel van het Joods Museum, die geheel met de hand is uitgewerkt – vijf manjaren werk! Dat het bouwproject in het NAi is geslaagd, is te danken aan de vele vrije manuren die alle betrokkenen erin hebben gestopt en de inventiviteit van Leebo als uitvoerder. Alle soorten verbindingen, van lassen tot schroeven, zijn toegepast. Geen onderdeel was gelijk, daarom had elk onderdeel zijn eigen code. Delen van het frame kwamen geprefabriceerd het NAi binnen en werden met behulp van lasers op de exact juiste plaats neergezet of (tijdelijk) opgehangen. Op het allerlaatst kwamen alpinisten om de verlichting – gesponsord door Zum Tobel Staff – aan te brengen.

Florian Kohl, van huis uit architect, is zich ervan bewust dat dit onwaarschijnlijke bouwproject zonder de gezamenlijke kennis van alle uitvoerders kansloos was geweest. Kohl: “De uitvoerders bij Leebo wilden natuurlijk van mij horen hoe het geheel in elkaar zat. Dat wist ik ook niet precies, bleek toen de mensen die aan de machines stonden mij moesten corrigeren. Daar stond ik wel even verlegen bij te kijken!”

Leebo heeft als gevelbekleder ervaring met bijzondere projecten, zoals de theaters van architect Hertzberger in Breda en Uden. Maar dit was een hoogstandje, aldus coordinator Boy Barajanan. “De enige vergissing is dat we geen tolerantie hadden ingebouwd. Nu luisterde het in de uitvoering te precies. Er zat geen enkele speling in.” Gelukkig is staal een beetje plooibaar – dat demonstreert Libeskind zowel letterlijk als figuurlijk.

TOM MAAS

De tentoonstelling ‘Beyond the Wall 26.36 gr. ‘ is t/m 23 november in het NAi te zien. Bij NAi Uitgevers is een boek uitgekomen over het ontwerp voor het Victoria en Albert Museum, ‘Unfolding’ ( – 99,50), en een boek met poetische teksten van Libeskind, ‘Fishing from the pavement’ ( – 39,50).

Maquette van de uitbreiding van het Victoria en Albert Museum. Het gebouw, een in elkaar geschoven spiraal, wordt bekleed met speciaal ontworpen, kleurige tegels.

Bouwkundige kunst: een van de ‘Micromegas’ die Libeskind in 1979 tekende.

Plattegrond en aanzicht van het tentoonstellingslabyrint dat Libeskind in de grote zaal van het NAi heeft gebouwd. Door beide tekeningen heen is een sliert getekend die laat zien hoe de spiraal van schots en scheve wanden er in uitgevouwen toestand uitziet.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels