nieuws

Blauwschimmel geen probleem

bouwbreed

Hout dat door blauwschimmels is aangetast blijft zijn oorspronkelijke sterkte vrijwel geheel behouden. Blauwschimmels kunnen de celwand van de houtcellen namelijk niet afbreken. Het enige effect dat ze veroorzaken, is een blauwgrijze verkleuring. Dat probleem stond centraal in de procedure voor de Raad van Arbitrage, die door de kopers van veertien woningen werd aangespannen tegen de bouwondernemer met wie zij een koop-/aannemingsovereenkomst hadden gesloten.

Als je het vonnis waarmee dit geschil werd beslecht leest, kun je je afvragen of hier geen sprake was van het maken van de spreekwoordelijke mug door een olifant. Zeker als je al lezend steeds meer tot de conclusie moet komen dat deze bouwondernemer zich uiterst coulant opstelde toen hij meer dan vijf jaar na het sluiten van de overeenkomsten door zijn kopers een bindend advies van het Garantie Instituut Woningbouw (GIW) toegestuurd kreeg.

Dat advies was gevraagd omdat de kopers klachten hadden over de Western Red Cedar gevelbekleding van hun woningen. Het GIW was tot de conclusie gekomen dat een deel daarvan vervangen moest worden. De bouwondernemer nam dat advies over en binnen een half jaar was dat ook uitgevoerd, maar daarmee bleek het probleem niet opgelost.

In het voorjaar van 1990 kreeg hij opnieuw klachten op zijn bureau; er waren kleurverschillen tussen de oude en nieuwe bekledingsdelen. De toezegging om die klachten in behandeling te nemen kwam snel, maar het duurde toch meer dan acht maanden voordat de bewoners twee alternatieven voorgelegd kregen. Zij mochten kiezen tussen het op kleur brengen van de nieuwe delen, of afwachten of na verloop van tijd de verschillen vanzelf zouden verdwijnen.

De bouwondernemer ontdekte zelf dat de eerste mogelijkheid geen echte oplossing was en deed daarom een nieuw voorstel; hij was bereid de hele gevelbetimmering twee keer te behandelen met Rubbol DSA, een dekkende beits. Daarmee gingen de kopers akkoord, maar zij kregen niet de garantie dat dit een egale kleur van de gevels zou opleveren. Nog dezelfde maand werden de gevels helemaal in de gewenste lichte kleur overgeschilderd. So far so good, maar niet langer dan een jaar. In de zomer van 1992 kwamen dezelfde bewoners met een nieuwe klacht: schimmelvorming.

Hoewel de vervaltermijn voor het instellen van een rechtsvordering al ruimschoots verstreken was en onze bouwondernemer dus niet meer aanspreekbaar was voor verborgen gebreken aan de door hem geleverde huizen, stelde hij zich wederom heel coulant op. Hij liet de klacht door een deskundige onderzoeken. Die kwam nog in dezelfde zomer tot de conclusie dat hier sprake was van blauwschimmel vanuit de oude houtscheuren. Hoewel dat constructief niet bedreigend was, werd toch geadviseerd om een grotere laagdikte beits op de noord/oostgevels aan te brengen en ze regelmatig met een hogedrukspuit te reinigen.

De veertien bewoners kregen deze redelijk geruststellende conclusie te horen maar wendden zich toch tot het Centrum voor Houttechnologie van TNO-Bouw. Dat deed er een vol jaar over om hen te rapporteren dat er inderdaad sprake was van een ongevaarlijke blauwschimmel die de duurzaamheid van het hout niet aantastte.

Desondanks vond TNO het nodig dat er ventilatiesleuven zouden worden aangebracht en dat de gevels helemaal opnieuw met Rubbol werden afgewerkt.

Dit verhaal ging naar de bouwondernemer met de wens om er uitvoering aan te geven, maar hij vond blijkbaar dat hij meer dan genoeg had gedaan en reageerde er niet op.

Zo kwam de zaak voor de Raad van Arbitrage. De huizenkopers eisten herstel van hun woningen volgens dat TNO-advies, dan wel een schadeloosstelling en in ieder geval vergoeding van de kosten die TNO hen in rekening had gebracht.

De arbiters van de Raad konden direct constateren dat de termijn voor een beroep op een verborgen gebrek in het oorspronkelijke werk al lang verstreken was.

De enige vraag die daarom nog aan de orde kon zijn was of de kopers zich nog konden beroepen op de manier waarop de hun gegeven garantie door de bouwondernemer was afgewikkeld. Een eis tot nakoming van die garantieverplichting was nog wel ontvankelijk en daarom moest de Raad beslissen over de vraag of het schilderwerk een verborgen gebrek kon bevatten.

Hoewel geen garantie was gegeven dat daardoor het kleurverschil zou verdwijnen mochten de kopers bij de Raad dus nog wel een beroep doen op een verborgen gebrek in dat schilderwerk. Omdat dit binnen vijf jaar na het overschilderen van hun gevelbekleding was gedaan kwam de vraag aan de orde of hier inderdaad van een verborgen gebrek sprake was.

Omdat die gebreken nauwelijks te constateren of te onderscheiden waren van normale vervuiling en de schimmelgroei al in het hout aanwezig was voor de schilderbeurt van 1991 en daarvan redelijkerwijs ook niet meer verwijderd kon worden, was hier geen sprake van een verborgen gebrek in het schilderwerk, vonden de arbiters. Zij wezen daarom de eis tot herstel danwel schadevergoeding af.

Meer verrassend was dat de drie scheidslieden wel de gevraagde vergoeding van de TNO-kosten aan de veertien huizenbezitters toewezen. De motivering daarvoor zagen zij in het “niet onbegrijpelijk” zijn van het vragen van dat advies door de kopers, omdat zij alleen de conclusies kenden van het rapport dat op verzoek van hun verkoper door AKZO-coatings was uitgebracht. Het feit dat het hele rapport hen niet was toegestuurd leidde in de redenering van de Raad tot een veroordeling van de bouwondernemer tot betaling van de TNO-kosten, die bijna f. 6500 bedroegen.

Voor mij is dat wat verrassend. In de eerste plaats omdat de vraag of de veertien kopers om toezending van dat rapport hebben verzocht hierin helemaal niet schijnt mee te spelen. Ik denk dat de bouwondernemer die toezending wat overbodig vond, omdat de conclusies erg geruststellend waren. Als de kopers toch het hele rapport wilden lezen zou hun verzoek om toezending waarschijnlijk wel gehonoreerd zijn. De bouwondernemer had er immers geen belang bij om iets uit het rapport te verbergen!

Ook speelt in de beslissing van de Raad de bereidheid om het advies van AKZO op te volgen geen enkele rol. Maar het belangrijkste probleem vind ik, dat de belangrijkste conclusies van de deskundigen in deze zaak op hetzelfde neerkomen.

De passage in het arbitrale vonnis, dat de beperkte schimmelgroei niet volledig en afdoende kon worden voorkomen, betekende toch ook dat het TNO-rapport in feite niets anders concludeerde dan AKZO deed. En om – zij het achteraf constaterend – een overbodig gebleken rapport te laten betalen door een zich zo coulant opstellende bouwondernemer, alleen omdat de opdracht van de kopers aan TNO “niet onbegrijpelijk” was, vind ik wat vreemd. Daarvoor was mijns inziens minstens nodig geweest een oordeel over de redelijkheid van die opdracht.

(BR 1997 p. 690)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels