nieuws

Wonen in de toekomst

bouwbreed

Een van de vele problemen waardoor Rotterdam wordt geplaagd is dat het geen goede woonstad is. De stad kent te weinig diversiteit in milieus en vooral te weinig echt wervende buurten voor bovenmodale gezinnen. Om daar wat aan te doen heeft de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting een bundel laten samenstellen over mogelijke leefstijlen. Het boek ‘Leefstijlen, wonen in de 21e eeuw’ is geen wetenschappelijke inventarisatie maar bedoeld om de verbeelding te prikkelen. Over zes thema’s laten telkens twee auteurs hun (soms provocatief) licht schijnen. De aangesneden onderwerpen varieren van werkloosheid tot mobiliteit, van landverhuizen tot leven in de illegaliteit, van bartypes tot vakantievierders. Typisch Rotterdams is wellicht de flair waarmee wordt overdreven. Dat levert onderhoudende en vaak geestige verhalen, maar of die het beleid veel verder brengen is twijfelachtig. Een van de Rotterdamse problemen, zo blijkt weer uit deze bundel, is het gebrek aan onderscheid tussen public relations en beleid.

A. Reijndorp: ‘Leefstijlen, wonen in de 21e eeuw’. Uitg. NAi; f. 29,50. ISBN 90 5662 037 1

Mijn gebouw wordt zo

Je bent veertien jaar en wilt iets met gebouwen. Dat het architectuur heet weet je nog niet, en hoe het tot stand komt evenmin. Tot voor kort werd je aan je lot overgelaten. Maar nu is er het boekje ‘Mijn gebouw wordt zo’. Architectuurinstituut en Bond van Nederlandse Architecten hebben hun best gedaan om in zeven ‘verleidelijke lessen’ het vak van architect, het ontwerp- en deels het bouwproces inzichtelijk te maken. Rode draad is de uitbreiding van een middelbare school in Apeldoorn door architectenbureau Van de Broek en Bakema. Op die manier is geprobeerd zo dicht mogelijk bij de belevingswereld van jongeren te blijven.

Bij het boek is een docentenhandleiding verkrijgbaar. Als vervolg kan een excursie worden gemaakt naar het Architectuurinstituut, waar sinds kort een SchoolAtelier beschikbaar is.

BNA/NAi: ‘Mijn gebouw wordt zo – architectuur voor jongeren’. Uitg. NAi Uitgevers; f. 22,50. ISBN 90 5662 051 7.

Abma’s generatie

Architect Jelle Abma (1921) bracht als zelfstandig architect en oprichter van het bureau dat nu als A+D+P Architecten in Amsterdam is gevestigd een flink oeuvre tot stand tussen 1950 en 1991. Dat is nu geboekstaafd in een goed verzorgde monografie. Oeuvre is niet een goed woord voor zijn verzamelde werk, want het suggereert teveel dat het gaat om een samenhangende reeks waarin steeds dezelfde thema’s verder worden uitgediept. De ontwikkeling in Abma’s werk is die van zijn generatie: geworteld in traditionalisme, wordt in de jaren zestig een gematigd main-stream modernisme gepraktiseerd, en vertonen de jaren zeventig de invloeden van kleinschaligheid. In een voorwoord roemt bureaugenoot A. Campo de afwezigheid van snobisme en de behoedzame ernst in dit werk; het is “gelukkig niet geplaagd door al te veel consideratie met theoretisch steigerwerk” en zonder “grafische intimidatie”. Het is jammer dat in dit boek een kritische noot ontbreekt op de keerzijde van deze ‘doe maar gewoon’ pragmatiek. Met name de uitbreiding met een ronde spiegelende toren van het hoofdkantoor van de Nederlandsche Bank in Amsterdam in 1990 riep stormen van protest op. Doordat Egbert Koster in de feitelijke beschrijving van de projecten geen aandacht besteedt aan de receptie ervan bij het grote publiek en de vakpers blijft onbelicht dat wat ooit een kracht was – pragmatiek en theoretische onbevangenheid – uiteindelijk leidde tot een impasse: voor de nieuwe grote opgaven van de jaren tachtig en negentig was een nieuwe generatie van architecten nodig die juist dankzij theorie en reflectie nieuwe wegen wisten te vinden.

E. Koster: ‘Jelle Abma – architect’ Uitg. Thoth; f. 49,50; ISBN 90 6868 177 X

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels