nieuws

Stedenbouwers durven vrijheid niet aan

bouwbreed

Stedenbouw is dwang. Stedenbouwers leggen vast wat wel en wat niet kan. Of nog sterker: wat moet. De Vinex-plannen staan er bol van. Er is een uitzondering – het plan voor Leidsche Rijn. Inzet daar was een grotere rol voor het toeval en meer vrijheid voor gebruikers. Nu daar de bouw van de eerste woningen op stapel staat, is het tijd voor een tussenstand. Conclusie: ontwerpers zijn bang voor vrijheid.

De dwang die stedenbouwers opleggen aan gebruikers en opdrachtgevers varieert. Ooit bestond het grid van Manhattan uit slechts een kaart en een paar (bezonnings)regels. In Nederland leggen Vinex-plannen alles, tot en met de plaats van de deurbel, vast. Beeldkwaliteitsplannen doen niet onder voor zedenwetten. Kaarten, profieltekeningen en driedimensionale prenten spiegelen voor hoe alles eruit komt te zien.

Het streven naar samenhang en een wervend woonmilieu is nobel. Maar goede bedoelingen kunnen benauwend zijn; een mens wil wel eens uit de band springen. Ruimte daarvoor laten die plannen niet.

Wat de goede bedoelingen ook kan dwarsbomen is de wispelturige praktijk. Hoeveel wijken zijn al niet halverwege de bouw getroffen door een recessie of omslag in smaak? Ruimte om dit soort toeval op te vangen hebben de Vinex-plannen ook al niet.

Bovendien zijn de meeste plannen opgelegd pandoer: voor de hand liggende composities, geput uit de oude doos. Veel water, tuintjes, een enkele boulevard met torenflatje, en dat alles geometrisch aangeharkt.

“Met geen stijl”

Tegen deze geestdodende combinatie van goede bedoelingen en goede smaak is begin jaren negentig in de architectuur al een tegenbeweging op gang gekomen. Rem Koolhaas schreef een prijsvraag uit voor “een huis met geen stijl”. Stijl staat daarbij voor alle verstikkende pretenties van architecten. Een herwaardering zette in van toeval, improvisatie, het niet-geregisseerde. Een eerste signaal daarvan in de stedenbouw was in 1995 het masterplan Leidsche Rijn. Dit is, tussen Utrecht en Vleuten-De Meern in, met 30,000 woningen en vele tienduizenden arbeidsplaatsen de grootste Vinex-uitleg.

De belangrijkste ontwerper ervan is Rients Dijkstra, die geruime tijd bij Koolhaas heeft gewerkt. Hij maakte de enige Vinex-kaart zonder opgelegd pandoer; een kaart die niet onmiddellijk te begrijpen was.

“Vormeloosheid” noemden de makers de kern van dit ontwerp. “Het beeld en de vorm van de nieuwe stad worden niet van tevoren vastgelegd om vervolgens verdedigd te worden, maar worden gezien als deels onvoorspelbare resultaten van dynamische processen”, schreven ze als toelichting in Archis (1995, nr. 8). Die vrijheid zou volgens de ontwerpers goed te pas komen bij de huidige omslag van collectieve (sociale) huisvesting naar vrije sector bouw. Een flexibel plan was nodig om in te kunnen spelen op veranderingen in vraag en aanbod gedurende de twintig jaar dat aan deze nieuwe wijk gewerkt zou worden.

Wiskunde, geen beeld

Hoe ontwerp je vormeloosheid? De vertrouwde schetsen van woonmilieus kunnen niet meer dienst doen. Ook beschrijvingen pakken al snel ‘beeldend’ uit. Blijft de wiskunde over als geeigende taal; algebraische formules combineren precisie met een onbeperkte vrijheid van invulling. De ontwerpers gebruikten “coefficienten” die wel de onderlinge relaties van de elementen in het plan regelen maar geen vorm vastleggen. Zo zijn bijvoorbeeld spreiding, personen per oppervlak en stapeling verdeeld. Bij de verdeling van functies is gestreefd naar contrasten. Uit grensconflicten kunnen vernieuwende oplossingen naar voren komen, zoals het grootscheeps verplaatsen en overbouwen van de rijksweg Utrecht – Amsterdam.

De kaart moet dus niet zozeer als plattegrond gelezen worden maar als wiskundig diagram, een matrix vol variabelen en vrijheid.

Tussenstappen nodig

Nu binnenkort de eerste palen de grond ingaan kan de tussenstand worden opgemaakt: in hoeverre is vrijheid verworven?

Een teken van vrijheid is dat Vleuten-De Meern en Utrecht zonder veel problemen een eigen koers konden varen. Het centrale park bleek een ideale scheidslijn tussen deze twee politieke tegenstrevers. Toen Vleuten-De Meern begon met de uitwerking bleek het masterplan echter nog niet de ideale onderlegger. Er zaten onoplosbare tegenstrijdigheden en onduidelijkheden in. Daarom is begin dit jaar als tussenstap een minder abstracte en meer orthodoxe “structuurschets” gemaakt door het bureau VHP.

Ook Utrecht maakte een tussenstap. Rients Dijkstra ontwierp een gedetailleerdere “ontwikkelingsvisie”.

Vlekkenplan-nieuwe-stijl

Het Utrechtse deel van Leidsche Rijn heeft hij versplinterd in talloze scherven, met elk een eigen exploitatie. Wat per scherf mogelijk is, blijkt als een reeks kaarten over elkaar heen wordt gelegd met functies, routes, met bomen, water, coefficienten voor bouwhoogtes enzovoort. Opvallend orthodoxe aanvulling op het masterplan zijn enkele beeldkaarten en aanwijzingen voor de vormgeving, zoals waar representatieve gevels moeten komen, harde kades rond eilanden en welke kleuren zijn voorgeschreven. Er blijkt een stevig geraamte met een strikt welstandstoezicht te zien.

Dat roept herinneringen op aan de aloude vlekkenplannen van eind jaren zeventig. Ook daar een geraamte van routes en welomschreven randen en binnen de vlekken vrijheid van invulling. In Leidsche Rijn is de schaal echter veel groter en de gelaagdheid van kaarten zorgt voor een grilliger verdeling van vastgelegde elementen en vrije speelruimte. Onder het motto ‘ontwerp niet nu, wat je later nog kunt ontwerpen’ is niet een (mogelijk snel verouderende) schets van het hele buurtleven gegeven.

De invulling van twee woningbouwvlekken is vergevorderd. Eind dit jaar worden de eerste palen geslagen. Het rare is dat de ontwerpers die voor dit laatste stadium zijn ingeschakeld, de stedenbouwkundige bureaus Christiaanse en Palmboom/Van de Bout, de zo ingenieus bevochten vrijheid nauwelijks gebruiken. Sterker nog: weer teniet doen. In plaats van het toeval zoveel mogelijk ruimte te blijven geven, werken ze alsnog het hele repertoire af van gedetailleerde compositie. Al is de vormgeving op onderdelen ongewoon, het is toch ingebakken dwang. Alles is weer vastgelegd, tot en met een groslijst van architecten die scoren op “sculpturaliteit” of “bijzondere dakvormen”. Voor de opdrachtgevers die nu het strijdperk betreden is er nauwelijks nog iets eigenzinnigs te doen. Het avontuur is kaltgestellt.

Ontwerpen in teams

Voor de structuurschets van Vleuten-De Meern zijn de stedenbouwkundigen van VHP direct ontwerpend aan de slag gegaan. Het masterplan zagen zij als een functioneel programma dat niet af zou zijn zonder ruimtelijke vertaling. Dat ontwerpwerk moet je niet naar het allerlaatste stadium schuiven, vinden zij. Op de schaal van het plan als geheel moet er samenhang zijn, moeten de hoofdruimtes zich profileren. Orthodox nauwkeurig zijn die ontworpen; ze omzomen een twaalftal witte vlekken.

Voor die vlekken zijn, terwille van de samenhang, ook weer ontwerpkarakteristieken bepaald. Kaders waarbinnen teams van opdrachtgevers, stedenbouwers en architecten zo’n vlek geacht worden af te maken met een integraal ontwerp, een ontwerp dus waarin alle onderdelen nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd.

Voor architecten in die teams betekent dat een grotere speelruimte dan binnen de voorschriften van Christiaanse en Palmboom/Van de Bout. Maar het resultaat is toch weer een zeer gedetailleerd vastgelegd eindproduct.

Linksom of rechtsom, met ontwerpwerk in het begin of in het laatste stadium: de vrijheid is toch weer beknot in Leidsche Rijn.

In de eerste Utrechtse delen heeft men het nog niet aangedurfd om ook van de architectenkeuze een willekeurige coefficient te maken. Het avontuur van stedenbouw “met geen stijl” durfde men niet vol te houden tot en met straten met geen stijl – straten met dezelfde verrassende “vormeloosheid” en toevallige combinatie van onderdelen als het masterplan. Het is allemaal weliswaar ongewoon vormgegeven, maar strikt onder controle.

In het deel van Vleuten-De Meern is het omgekeerd.

Het structuurplan zet orthodox in maar op het eind wordt de etiquette minder streng. Het kader is echter zo gedetailleerd dat de kans op avontuurtjes klein is. Voor gekkigheid is niet veel plaats.

Een nieuwe omgeving vol toeval, improvisatie en speelruimte voor bouwers en bewoners is er in beide gevallen nog niet uitgekomen. Oude behoeftes en gewoontes blijken taai. Ontwerpers blijken bang voor vrijheid. Ze hechten aan controle en blijven schaven aan een afgerond eindproduct, waar bewoners een vrij begin willen.

Masterplan van geheel Leidsche Rijn – veeleer een wiskundige matrix dan een beeldende compositie van een voorgebakken stad. De stip rechts is Utrecht CS. De rode conglomeraties zijn Vleuten (boven) en De Meern (onder). De licht- en donkerpaarse gebieden zijn kantoor- en bedrijfsterreinen. Het (geelbruin gekleurde wonen) strekt zicht tot over de rijksweg A1 uit.

Een deel van de verdere uitwerking van Vleuten-De Meern. De schematisch weergegeven verkaveling is niet dwingend, maar een richtlijn voor het te realiseren beeld.

Een part van stedenbouwer Christiaanses plan voor Langerak, in het Utrechtse deel van Leidsche Rijn. Net zoals de visie voor dit hele deel kent ook Langerak verschillende lagen. Van onder naar boven: de primaire infrastructuur (wegen,bestaande bebouwing); secundaire infrastructuur (parkeervelden); kavels; omtrek van de volumes waarbinnen de bebouwing moet passen; en een voorbeeld van de mogelijke bebouwing daarbinnen. Het resultaat is een ongewoon plan, maar met even weinig vrijheid als vanouds. Vrijwel alles is gedetailleerd vastgelegd.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels