nieuws

Het maken van nieuw land en nieuwe steden

bouwbreed

De recente geschiedenis kent Brasilia en Chandigarh als beroemde voorbeelden van steden in the middle of nowhere die van de eerste tot de te steen zijn ontworpen. De steden en dorpen in de IJsselmeerpolders zouden in dat rijtje niet mogen ontbreken. Ze zijn een meesterwerk van zeventig jaar lang consequent vormgeven aan nieuwe steden en nieuw land.

Deze overtuiging is Coen van der Wal toegedaan, die kortgeleden is gepromoveerd op de geschiedenis van het ontwerp van de nieuwe poldersteden. Van der Wal heeft eerst een decennium als architect in de Verenigde Staten gewerkt, voor hij van 1975 tot 1996 bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders als stedenbouwer zelf meewerkte aan de opbouw van de nieuwe steden.

Hij is niet de eerste die het nieuwe land tot onderwerp van studie heeft genomen. De laatste jaren zijn omvangrijke studies verschenen, zoals Zef Hemels ‘Het landschap van de IJsselmeerpolders’ en ook Koos Bosma gaat in ‘Ruimte voor een nieuwe tijd: vormgeving van de Nederlandse regio 1900 – 1945’ uitgebreid in op het ontwerp van de Wieringermeer en Noordoostpolder. Van der Wal beperkt zijn Engelstalige geschiedenis tot een aspect, namelijk de stedenbouw.

Zoals uit de titel van zijn monumentale dissertatie blijkt – ‘In praise of common sense – waren de polderbouwers volgens Van der Wal absoluut niet uit op monumentaliteit of enige vorm van grandeur. Hun motto was “planning the ordinary”: het ging om praktische en sobere nederzettingen. Toch vindt Van der Wal dat de ontwerpers monumentaal werk hebben verzet dat niet onderdoet voor genoemde internationaal bekende voorbeelden. Met zijn proefschrift wil Van der Wal iets proberen te behouden van de zeventig jaar ervaring die verloren dreigt te gaan, sinds de opheffing van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders in 1989.

Al wordt de planningsgeschiedenis als een geheel gepresenteerd, dat laat onverlet dat er sprake is van verschillende benaderingen in de loop van die zeventig jaar. Met een schat aan illustraties geeft Van der Wal van elke nederzetting een duidelijk beeld van de ontwerpgeschiedenis. Door verder te kijken dan alleen naar de uiterlijke verschillen, weet hij het cliche van een tegenstelling tussen traditionalisten en modernisten te omzeilen. U weet wel, de een wil altijd een pannendak, de ander een plat dak; de een ontwerpt losse rechthoekige strookjes nieuwbouw in het groen, de ander meer gesloten bouwblokken met pittoreske verspringingen en verdraaiingen. De een is ouderwets, de ander niet.

Van der Wal vat de verschillen samen onder twee andere noemers. Ten eerste waren er duidelijke meningsverschillen bij de ontwerpers of het plan nu het belangrijkste was, een bepaald eindbeeld, of het proces, waarbij ruimte gelaten werd voor nog niet in vorm vastgelegde groei of krimp. Ten tweede waren er interpretatieverschillen over de verhouding tussen stad en land – of de nederzetting het land en de landbouw dient, of dat de landbouw en inrichting van het landschap de oprukkende (rand)stad moet dienen.

Plan versus proces

Van der Wal demonstreert de eerste tegenstelling aan de hand van twee beroemde stedenbouwkundigen: Granpre Moliere, die in Wieringermeer en Noordoostpolder aan de wieg stond van menige nederzetting, en Van Eesteren, ontwerper van onder andere Lelystad. Weliswaar is dat toch weer de tegenstelling tussen een gedoodverfd traditionalist en exemplarisch modernist. Maar die etiketten krijgen een heel andere lading.

Van der Wal daarover: “De een (Moliere) bezag het ontwerp in de context van een evolutionair proces, waarbij de groei van de steden zou beantwoorden aan de behoeftes van de tijd; de ander zag het ontwerp als de oplossing voor de toekomst. De een probeerde een sterk begin te ontwerpen, in de hoop dat het een goed voorbeeld zou zijn, de ander maakte een sterk eindbeeld, in de hoop dat de stad dat zou bereiken. Wilde de een de toekomst overlaten aan anderen, de andere probeerde de voorwaarden zo te maken dat het verlangde eindresultaat zou worden bereikt.”

Van der Wal zegt niet dat de ene benadering beter is dan de andere. Het zijn twee manieren om planning en ontwerp te benaderen die beide waardevol ke zijn, afhankelijk van de situatie. Ze staan ook los van de verdere vormgeving – die kan modern of traditioneel zijn of wat dan ook. Het is eigenlijk wel verrassend om in deze vergelijking te zien dat de modernist Van Eesteren in dit opzicht de minst flexibele en in wezen meest dogmatische was: het moest worden zoals hij wilde, voor spontane ontwikkelingen was geen plaats.

Stad versus land

Bij de tegenstelling stad-versus-land zijn de rollen en posities complexer. Onder andere omdat in de loop van de tijd de functies van de nederzettingen veranderden van kleinschalige huisvesting voor landarbeiders tot overloopgebieden voor stedelingen. Architect/stedenbouwer Van Embden maakte zich bijvoorbeeld sterk voor een Oostelijk Flevoland dat geheel ingericht zou zijn voor optimaal agrarisch gebruik. Ontwerper Van den Ban wilde het landschap ook interessant maken voor stedelingen op zoek naar recreatie.

Steeds wisselde het perspectief. Moest Dronten een dorp worden of een stad? En wat zou een grotere nederzetting, zoals Lelystad, stedelijk ke maken? Als de bedoeling was dat grote groepen niet-agrariers, dus ‘overlopende’ stedelingen, zouden worden gehuisvest, wat was dan de meest geeigende vorm? Een samenstel van landelijke dorpen, zo luidde oorspronkelijk het logische antwoord, dat in Almere vorm kreeg. Want die stedelingen wilden niet voor niets buiten wonen. Daaroverheen is later de visie gekomen om toch weer een echt stadscentrum in Almere-Stad te bouwen. Want 250.000 inwoners in een paar dorpen leek al teveel op suburbia. Maar daarna zou Zeewolde, volgens Van der Wal, het ultieme suburbia worden. Een plaats zonder werkgelegenheid, zonder agrarisch karakter, zonder veel voorzieningen of openbaar vervoer. De auto, nog met veel vernuft uit Almere-Haven verbannen, was in Zeewolde van harte welkom.

Geen van de dorpen en steden op zich zal de wereldliteratuur halen. Het zijn de consequente gedachtevorming over langere tijd en de toets in de praktijk die de stedenbouw in de IJsselmeerpolders monumentaal maken.

C. van der Wal: ‘In praise of common sense. Planning the ordinary. A physical planning history of the new towns in the IJsselmeerpolders’. Uitg. 010; f. 85. ISBN 90-6450-302-8.

Schets van architect/stedenbouwkundige Pouderoyen uit 1943 om een idee te geven van Emmeloords stadsbeeld.

Suburbia in rotten van vier: Almere-Buiten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels