nieuws

Veehobby in woonwijk

bouwbreed

Kunnen omwonenden in het kader van een ter visie gelegd ontwerp-bestemmingsplan bezwaar maken tegen het gebruik van bijgebouwen voor het houden van enkele stuks vee? Ja, heeft de rechter beslist en omdat het provinciale overheidsorgaan dat geroepen is om planologisch toezicht uit te oefenen op de gemeentelijke bestemmingsplannen over zulke bezwaren geen beslissing nam, werd het hele provinciale besluit vernietigd.

Of dat terecht gebeurde bij de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is echter nog maar de vraag. Als bij een bestemmingsplan geregeld kan worden welk gebruik mag worden gemaakt van een bij een woonhuis behorend bijgebouw, wordt de ruimtelijke ordening immers gebruikt voor een doel waarvoor de betreffende wet niet geschreven is.

De bestemming van de betreffende grond wordt immers in het gemeentelijke plan in algemene zin aangegeven. In een plan voor een nieuwe woonwijk is dat de woonfunctie en de vraag of de bewoner van een huis in die wijk een geitje in zijn tuin mag laten grazen en daarvoor een stalletje in zijn tuin mag hebben, behoort niet in het bestemmingsplan geregeld te worden. Daarvoor is nu net de gemeentelijke politieverordening bedoeld.

Dat was blijkbaar ook de opvatting van Gedeputeerde Staten van Noord- Brabant die het bestemmingsplan van Sint Oedenrode goedkeurden. Dat plan had betrekking op een perceel aan het Mahlerplein, waarvoor al een woonbestemming bestond. In het nieuwe plan was alleen de bestemming van het plandeel ‘achtertuin’ veranderd door de oppervlakte van daarin toegelaten bijgebouwen van 40 tot 80 vierkante meter te vergroten.

In de toelichting bij dat plan legde deze Brabantse gemeente uit waarom. Het betreffende perceel en een deel van de agrarische grond ernaast was namelijk verkocht aan een particulier, die in het centrum van Sint Oedenrode woonde. Die grond met zijn huis had de gemeente nodig voor de aanleg van een parkeerterrein. Omdat hij in zijn tuin enkele stuks vee hield en die hobby ook bij zijn huis aan het Mahlerplein wilde voortzetten, was hij met de gemeente overeengekomen dat hij daar niet alleen een garage en een carport mocht bouwen, maar ook nog een stal. Vandaar de verdubbeling van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen.

Zo’n raadsbesluit, waarbij een bestemmingsplan wordt vastgesteld, moet op grond van artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wet R.O.) binnen vier weken ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten worden toegezonden. Die goedkeuring kwam er, maar daar waren enkele omwonenden het niet mee eens. Zij hadden bezwaar tegen de mogelijkheid die hun nieuwe buur zou krijgen om op de grond bij zijn nieuwe huis vee te houden. Daarvoor was immers de bouw van een veestal toegestaan.

Dat brachten zij naar voren bij de rechter van de Raad van State en die vond dat Gedeputeerde Staten in strijd met de Wet hadden gehandeld. De Wet R.O. zegt immers, dat zij niet alleen gemeentelijke bestemmingsplannen moeten toetsen aan het ruimtelijk beleid van Rijk en provincie, maar dat zij ook belast zijn met de beoordeling van de bezwaren van gemeentenaren tegen zo’n bestemmingsplan.

Deze rechter legde die taak zo ruim uit, dat Gedeputeerde Staten bij de goedkeuring ook hadden moeten bezien of op grond van het bestemmingsplan wel vee mocht worden gehouden en of daarvoor een veestal mocht worden gebouwd.

Als dat op grond van het aan hen voorgelegde bestemmingsplan toegestaan was, hadden zij nog moeten nagaan of dat wel aanvaardbaar was. Nu zij dat hadden nagelaten hadden zij in strijd met een wettelijk voorschrift gehandeld, zodat hun goedkeuringsbesluit moest worden vernietigd, zo vond onze rechter

Deze beslissing is des te opmerkelijker, omdat Gedeputeerde Staten een goed onderbouwd betoog hadden gehouden, waarom zij aan deze bezwaren van de omwonenden voorbij waren gegaan. Aan hun motivering om bij de beoordeling van het hun voorgelegde plan voorbij te gaan aan het gebruik van een van de bijgebouwen als veestalling voor het hobbymatig houden van enkele stuks vee, ging de rechter echter voorbij. Met de opvatting van het Brabantse provinciale college, dat het zich moest beperken tot de vraag of de verdubbeling van de oppervlakte aan bijgebouwen op het bewuste perceel toegelaten kon worden, was hij het ook niet eens.

Ik heb de stellige indruk, dat deze rechter minder goed is ingevoerd in de R.O.-wetgeving dan de ambtenaren op het provinciehuis, die het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten hebben voorbereid. Die wezen er er ook nog eens op dat niet de Wet R.O. maar de Woningwet (en met name de daarop stoelende bouwvergunningsprocedure) de mogelijkheid geeft om het gebruik van deze bijgebouwen te regelen. Mogelijk komt in dat verband ook de milieuwetgeving eraan te pas. Het gaat echter te ver om voor de beoordeling van een bestemmingsplan te gaan kijken of het houden van een of meer huisdieren is toegestaan. Als aan de hoofdfunctie WONEN van een perceel in het bestemmingsplan met de bestemming ‘Eengezinshuizen in open bebouwing’ (zoals hier het geval was) wordt voldaan, is er geen ruimte voor een toetsing, zoals deze rechter wilde.

Die toetsing ligt immers niet op het terrein van de ruimtelijke ordening, maar op dat van de overlast aan anderen en soms ook op dat van de volksgezondheid. Daarvoor bestaan weer heel andere wetten dan die op de ruimtelijke ordening.

Als mensen last hebben van dieren die hobby- dan wel beroepsmatig in de tuin van hun buren worden gehouden, hoeven zij ook niet te wachten tot het voor hen geldende bestemmingsplan wordt gewijzigd. Hun gemeentebestuur heeft aan zijn eigen politieverordening meestal genoeg om dat soort hinder te beeindigen en anders zijn er wel andere wettelijke regelingen die daarop van toepassing zijn. Maar laten we de Wet R.O. daarvoor niet gebruiken, beste mijnheer de rechter.

(B.R. 1997 p. 417)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels