nieuws

Onderzoekers materialen wacht accreditatie

bouwbreed

Er moet een soort accreditatie komen voor organisaties die levenscycli van materialen analyseren. Aansluiting op de normen voor de zogeheten STER-laboratoria geeft daartoe een mogelijkheid, zo stelt prof.dr. J. Bijen, projectleider voor het Milieuberaad Bouw (MBB). Tussen meten in een laboratorium en meten in de zin van gegevens verzamelen achter een bureau, zit niet zo’n groot verschil. De accreditatie garandeert de juistheid en de onafhankelijkheid van de bevindingen. Hogere eisen aan instellingen voor onderzoek maken het voor nieuwkomers evenwel moeilijker de markt te betreden.

“Bij Levens Cyclus Analyses (LCA’s) is aan de gebruikerszijde een sterke behoefte aan een stempel dat de juistheid van de getallen garandeert”, weet Bijen. “De werkgroep Toetsingsstructuur van het Nederlands Verbond Toelevering Bouw (NVTB) studeert sinds kort op controlesystemen. De Vereniging voor LCA’s heeft eveneens een werkgroep die daarvoor voorstellen ontwikkelt. Het ligt in de bedoeling om in de tweede fase van het actieplan van het MBB deze accreditatie verder vorm te geven. In 2000 zou die dan klaar voor gebruik moeten zijn. De tweede fase voorziet verder in de opzet van een bank voor standaardgegevens. Dat maakt weer deel uit van de kwaliteitsborging. De opgenomen gegevens komen telkens weer aan de orde in allerlei studies. Wellicht ke er ook gegevens over halffabrikaten in komen. In de komende jaren worden methoden als Ecoquantum verder uitgediept en leren ontwerpers die te gebruiken. VROM werkt met enkele instituten aan een milieumaat met een eco-indicator en laat bezien wat dat voor de bouw kan betekenen.”

Moeizaam

“In de bouw bestaat vooral behoefte aan een getal”, legt Bijen uit. “Dat zie je ook elders in Europa bij de toekenning van het CE-merk en de ontwikkeling van een Europees eco-label. De voortgang verloopt moeizaam want er spelen grote commerciele belangen. Dat ene getal geeft immers aan dat het ene product beter is dan het andere. Zodra daarover een eenduidige uitspraak is gedaan, krijgt de fabrikant van het uitverkoren product een enorm commercieel voordeel. In Nederland zijn we nu zo ver dat er een milieumaatmethode met vier getallen is. Gaan we nu naar een getal dat van een kwantitatieve/objectieve methode uitgaat, dan mag er geen enkele twijfel over de weegfactor bestaan. Rijzen dan twijfels, dan vermindert de acceptatie en zet de markt zich tegen dat ene getal af. Er is ooit een discussie geweest over de LCA met de milieumaatmethode van twee vloersystemen voor het nationale dubopakket. Het ene systeem kwam in het pakket op basis van de bevindingen uit de LCA. Zo hoort het ook maar producenten stellen zich erg argwanend op.”

“Mede om die reden is tijd de belangrijkste voorwaarde om voldoende draagvlak te scheppen voor dergelijke ontwikkelingen”, vindt Bijen. “De tweede fase voorziet dan vooral in consolidatie en in verankering in het bouwconstructieproces. Daarmee is het werk niet gedaan. Kijk alleen maar naar de gang van zaken rond de normen voor reeds lang bestaande producten. Bijvoorbeeld in beton en staal vinden nog zoveel al dan niet internationale ontwikkelingen plaats dat de betrokken commissies daar bij wijze van spreken nog dagelijks werk aan hebben. Te denken valt aan de opstelling van Europese normen, aan de kenmerken van hergebruik en aan de toepassing van nieuwe constructievormen. En bij dat laatste gaat het dan bijvoorbeeld om efficientere en goedkopere methoden die het milieu zo min mogelijk belasten. Innovaties ontstaan niet zelden op het snijvlak van milieu en arbeidsomstandigheden omdat ze een antwoord moeten geven op wettelijke veranderingen. Zo’n min of meer afgedwongen innovatie werkt doorgaans beter dan de gesubsidieerde verbetering van materialen.”

Waardering

“Het bedrijfsleven weet daar nu meer waardering voor op te brengen dan pakweg vijf, tien jaar geleden”, meent Bijen. “Toen gold alles wat met ‘het milieu’ verband hield als een bedreiging. Tegenwoordig blijkt dat in het verlengde van veranderingen ook zakelijke kansen ontstaan. De angst om marktaandeel te verliezen zet bedrijven vaak aan het vernieuwen. Dat gebeurt niet overal. Kijk je naar de emissies uit schoorstenen dan zie je dat bijvoorbeeld de uitstoot van zwaveldioxide sterk is vermindert maar dat de uitstoot van stikstofoxide nog steeds hoog is. Mondiaal gezien stijgt ook het energieverbruik. Bevordering van het ondergrondse bouwen zal daar in niet onbelangrijke mate aan bijdragen. Technische maatregelen zijn evenwel maar het halve werk. De voordelen die daarmee worden geboekt blijven alleen dan behouden als de individuele consument daar het zijne aan bijdraagt. En vooralsnog moeten we vaststellen dat het milieugevoel op dat niveau nog maar weinig aanwezig is.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels