nieuws

Eigen risico in proefdraaiperiode

bouwbreed

Na vijfeneenhalf jaar procederen is de uiteindelijke beslissing gevallen in een assurantiezaak, die voor de uitleg van bepaalde CAR-polissen van het grootste belang is. Daarin zijn namelijk soms clausules opgenomen, die het eigen risico van de verzekerde tijdens bepaalde perioden van de bouw op verschillende bedragen vaststellen. Als dat het geval is, dient duidelijk te zijn of het ontstaan van de schade dan wel de ontdekking ervan beslissend is voor de vraag in welke periode het eigen risico valt.

Begin 1987 gaf de gemeente Rotterdam aan de Machinefabriek ‘Breda’ opdracht voor de bouw van drie bijgestookte afgassenketelinstallaties, in de elektriciteitsfabriek van het gemeentelijk energiebedrijf aan de Galileistraat in Rotterdam. In de opdrachtbrief werd in de omschrijving van de levering ook opgenomen het voeren van proefbedrijf, het meewerken aan garantieproeven en het garanderen van de drie ketelinstallaties.

Voor dit po sloot de gemeente bij Centraal Beheer Schadeverzekering N.V. een CAR-verzekering af. In die polis was onder andere de bepaling opgenomen, dat gedurende de proefdraaiperiode een eigen risico van f. 100.000 van toepassing was; alleen voor schade aan de ringvormige verbrandingskamer was dat anderhalf keer dat bedrag.

Meeverzekerd werden niet alleen de aannemers, onderaannemers en installateurs, maar ook de leveranciers en “wie het anders geheel of gedeeltelijk zou mogen aangaan”. Uitdrukkelijk werd niet verzekerd de bedrijfsschade van welke aard dan ook. De kosten en uitgaven in verband met gehele of gedeeltelijke stilstand van het werk vielen dus niet onder deze verzekering. Schade tijdens de onderhoudstermijn en de proefdraaiperiode was wel verzekerd, behalve de schade die al viel onder de Machineschadeverzekering voor Elektriciteitsbedrijven in Nederland.

De MFB voerde de aan haar verleende opdracht uit in de periode begin 1987 tot eind 1988. Onderdelen van de installatie (rookgaskanalen en ketelunits) werden in de fabriek in Breda gefabriceerd; zij werden op de bouwplaats in elkaar gezet en klaar gemaakt voor de inbedrijfstelling. De proefdraaiperiode begon op 23 juni 1988 en duurde bijna een half jaar.

Op 5 december vond de oplevering van het werk plaats, maar al heel gauw ontdekte men scheuren in de rookgaskanalen en in de ketelbeplating van alle ketelunits. Onderzoek wees uit dat de MFB fouten had gemaakt bij het ontwerpen van de installatie. Er was daarbij onvoldoende rekening gehouden met de invloed van thermische spanningen, die het gevolg waren van temperatuurwisselingen.

Dat had nogal wat schade tot gevolg en omdat de MFB meeverzekerd was claimde zij betaling van de schade door Centraal Beheer. Met succes want de rechtbank in Zutphen wees bijna het gehele gevorderde bedrag van f. 1,7 miljoen toe. Nadat de assuradeur een bedrag van ruim f. 2 miljoen (schade plus rente) aan de machinefabriek had betaald ging hij in beroep bij het Hof in Arnhem.

Meer dan zesentwintig maanden na het vonnis van de Zutphense rechters verminderde het Hof het bedrag dat aan de machinefabriek betaald diende te worden met ruim een half miljoen gulden en dat was voldoende reden voor de Bredase fabriek om bij de Hoge Raad beroep in cassatie in te stellen. In te instantie bogen de rechters van het hoogste rechtscollege zich over de in nogal moeilijk leesbaar Nederlands gestelde clausule in de polis, die onder andere betrekking had op de dekking tijdens de proefdraaiperiode.

In die clausule waren twee begrippen in deze zaak van belang. De schade moest zich openbaren gedurende de onderhoudstermijn en veroorzaakt zijn voordat het werk werd opgeleverd. Anders dan de MFB dacht bleek dat verschil tussen de termen, die betrekking hadden op het zichtbaar worden van de schade en de oorzaak ervan, niet van essentieel belang te zijn voor het antwoord op de vraag welk eigen risico voor de verzekerde gold.

Omdat tijdens de proefdraaiperiode een veel hoger risico gold dan tijdens de bouwtijd en de onderhoudsperiode en de schade zich tijdens die periode had geopenbaard dacht de MFB dat zij onder het lage risico viel De verzekeraar kreeg van de Hoge Raad echter gelijk toen hij betoogde dat hiervoor van belang was het moment, waarop de schade was ontstaan. Dat was in de proefperiode.

De advocaat van de MFB had de polis voor wat de dekking betreft wel degelijk goed gelezen. Inderdaad had zich de situatie voorgedaan, dat de in de onderhoudsperiode aan het licht gekomen schade veroorzaakt was voor de oplevering. Dus was de hele schade gedekt. Maar voor wat betreft het eigen risico was een andere polisclausule van belang. Op grond daarvan gold voor een gebeurtenis gedurende de proefdraaiperiode een hoger eigen risico. Het verschil dat in het dekkingsartikel was gemaakt, was voor de eigen risicoclausule niet van belang, zo had het Hof gevonden; het tijdstip van de veroorzaking van de schade was daarvoor beslissend en in de ogen van de Hoge Raad was die opvatting niet in strijd met ons recht en zeker niet onbegrijpelijk.

Om dit soort langdurige en kostbare procedures te voorkomen zouden polissen in dit opzicht best eens wat duidelijker geredigeerd mogen worden. Wat eenvoudiger Nederlands hoeft daarbij niet geschuwd te worden. Dat is immers de vaak door collega-juristen aangevoerde reden waarom de taal in regelgeving en contracten voor de leek zo moeilijk leesbaar moet zijn.

(BR 1997 p. 447)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels