nieuws

Vernietiging van arbitraal vonnis

bouwbreed

Vonnissen van scheidsgerechten, dus ook die van de Raad van Arbitrage voor de bouwbedrijven in Nederland, ke maar in vijf gevallen door de gewone rechter worden vernietigd. Een geval, dat in de wet wordt genoemd doet zich voor als het vonnis in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden. Bij dat eerste begrip moeten we dan niet denken aan de maatschappelijke rust waarvoor elke burgemeester in zijn gemeente verantwoordelijk is, maar aan die wettelijke voorschriften waarvan niet afgeweken kan worden. Dat noemen we dwingende rechtsregels.

Die in de wet geregelde mogelijkheid heeft de rechtbank in Amsterdam vorig najaar gebruikt om een vonnis van de Raad van Arbitrage te vernietigen. Dat deed hij dus zonder een oordeel te geven over het geschil waarvoor een opdrachtgever zich tot die Raad had gewend. Hij vorderde van zijn aannemer een bedrag van f. 20.000, maar die eis werd afgewezen. Omdat de opdrachtgever geen vrede kon hebben met dat vonnis van de Raad ging hij in hoger beroep. Dat kan sinds een tiental jaren want artikel 23 van de Statuten van de Raad bepaalt dat elk van beide partijen in beginsel dat recht heeft.

Dat ‘in beginsel’ is een in de wetgeving ongebruikelijke manier om aan te geven, dat er uitzonderingen bestaan op die regel. Die uitzonderingen staan namelijk in het tweede lid van hetzelfde artikel: geen hoger beroep als het bij de gewone rechter ook niet had gekund. Belangrijk in dit geval is de bepaling, die zegt hoe je in beroep kunt gaan van een scheidsrechterlijk vonnis: de juridische raadsman dient binnen drie maanden na het vonnis een memorie van grieven bij het secretariaat in te dienen.

De raadsman van onze opdrachtgever liet die drie maanden net voorbijgaan voordat hij met zijn memorie van grieven naar de Raad ging. Een dag te laat werd die daar geboekt, maar dat kwam volgens de raadsman omdat het kantoor op de laatste dag van de beroepstermijn vijf minuten te vroeg gesloten werd!

Het appel-scheidsgerecht zat daar niet zo mee. Het vond, dat aannemer Middag het beroep op die termijnoverschrijding in zijn stukken had moeten opnemen. Dat was wel gebeurd, maar ook hier was de raadsman weer te laat. Een beroep op de overschrijding van de appel-termijn moet tegelijk met het antwoord worden gedaan, vond de Raad, en dat was pas in een later stuk gebeurd. De eis van de opdrachtgever werd daarom wel in behandeling genomen en bovendien gehonoreerd.

Aannemer Middag kon nu nog maar een ding doen: zich wenden tot de rechtbank in Amsterdam om het vonnis vernietigd te krijgen. Dat deed hij ook en wel met de stelling, dat de Raad in het hoger beroep zelf tot de conclusie had moeten komen dat de opdrachtgever niet ontvankelijk was in zijn vordering omdat hij zijn beroepstermijn had overschreden. Een ambtshalve toepassing van dat wettelijke voorschrift door de Raad dus en dat hield in dat hij, Middag, daar niet een beroep op had hoeven te doen.

Daarin had hij gelijk, vond de rechtbank. De arbiters van de Raad hadden in de hoger beroepsprocedure de regeling over de beroepstermijn inderdaad ambtshalve moeten toepassen. Nu zij dat niet hadden gedaan kwam hun vonnis in strijd met de openbare orde. Die vaststelling hield daarom in dat er hier sprake was van een van de gronden voor de vernietiging van een arbitraal vonnis.

Nu staat in de Statuten van de Raad van Arbitrage iets anders over die beroepstermijn dan in de wet. In de Statuten wordt een termijn genoemd van drie maanden, die op de dag van het vonnis ingaat. De wet kent een ander aanvangstijdstip, namelijk de dag, waarop de arbiters hun vonnis op de griffie van de rechtbank hebben gedeponeerd. Die regeling in de wet is zonder twijfel van openbare orde, zodat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkheid van de vordering leidt.

De rechtbank vond, dat de (afwijkende) regeling van de Statuten over die beroepstermijn net zo goed van openbare orde is als die van de wet; zeker als zo’n termijn zo ruim is als hier het geval was, dient er strak de hand aan gehouden te worden. Daarbij speelde waarschijnlijk ook wel mee, dat de rechtbank geen waardering kon opbrengen voor de opdrachtgever en diens raadsman. Die hadden immers het bewuste stuk ook wel wat eerder dan pas in de laatste vijf minuten van een termijn van drie maanden ke indienen.

De vraag is of zo iets mag meespelen bij de beoordeling van de vraag of arbiters net zo als rechters ambtshalve de termijnbepalingen moeten toepassen. Het door partijen afspreken van een andere dan de wettelijke termijn is bij de wet nadrukkelijk toegestaan. De lengte daarvan kan – binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid – door partijen in alle vrijheid worden bepaald en dan gaat het toch wel ver om zo’n door de wet toegelaten vrijheid van openbare orde te verklaren.

Het in behandeling nemen van het hoger beroep door de Raad van Arbitrage was dus niet zo vreemd als de rechtbank vond. Maar net zo goed kun je bezwaar hebben tegen de opvatting van de Raad, dat het beroep van Middag tegen het overschrijden van de appel-termijn te laat was gedaan. Daarvoor wil de Raad immers geen bepaling in Statuten toepassen, want die zeggen niets op dat punt. De verwijzing naar de wettelijke regeling ligt evenmin voor de hand als die naar de ambtshalve toepassing van de termijnoverschrijding nu de wet zelf zegt, dat partijen zelf mogen bepalen hoe zij hun arbitrale geding willen voeren.

In de Statuten van de Raad staat helemaal niets over het moment in de procedure, waarop een partij met zo’n beroep op het verstreken zijn van een termijn moet komen. Zou in de opvatting van de Amsterdamse rechtbank alles wat in die Statuten niet geregeld is dan opgevuld moeten worden door de regels die de wet stelt? Nee toch!

De vernietiging van het arbitrale vonnis betekende wel, dat de vordering van f. 20.000 die door de Raad in hoger beroep aan de opdrachtgever was toegewezen, niet tot het door hem gewenste resultaat heeft geleid zonder dat over de juistheid ervan een oordeel werd gegeven; wat wel door de Raad was gedaan. Zo zie je maar dat ook in het (bouw)recht geldt: beter een dag te vroeg dan vijf minuten te laat!

(BR 1997 p. 352)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels