nieuws

Geen schade, geen korting

bouwbreed

Op 5 februari van dit jaar besprak ik in deze rubriek een uitspraak van de Raad van Arbitrage, waarin werd beslist dat er toch een korting op de aannemingssom mocht worden toegepast hoewel er van enige schade geen sprake was. Dat was enigszins vreemd omdat algemeen aangenomen wordt dat het kortingsbeding geen boetebeding is maar van te voren bepaalt dat – voor elke dag te late oplevering – een vast bedrag van de aannemingssom mag worden afgetrokken.

Het ging toen om te laat opgeleverd schilderwerk waarvoor de opdrachtgever een korting wilde toepassen, hoewel de Raad erkende dat al bij het sluiten van de overeenkomst bekend was dat door een te late oplevering geen schade in de gebruikelijke zin van het woord zou worden geleden. Dat kwam doordat het schilderen na de opleveringsdatum zou ke plaatsvinden in de uren, dat de te schilderen ruimten niet in gebruik waren.

Ik vond dat er dus een ander belang van de opdrachtgever moest zijn bij een tijdige oplevering en was daar nogal benieuwd naar. Maar de arbiters bevredigden mijn nieuwsgierigheid daarnaar niet, want zij vonden dat helemaal niet relevant. Alleen al het feit dat de aannemer daar niet naar gevraagd had bij het sluiten van de overeenkomst was voor hen voldoende om geen reden te zien om de korting te weigeren. Het ‘onbenoemde belang’ bij tijdige oplevering hoefde niet verdwenen te zijn!

Ik denk, dat de mogelijkheid dat dit door de arbiters wel aanwezig geachte, maar ook voor hen anoniem gebleven belang, er helemaal niet was en dat de opdrachtgever door zijn standaardvoorwaarden de korting wegens te late oplevering had bedongen zonder dat hij belang had bij de toepassing ervan. En in zo’n geval geldt ook voor de Raad, dat alleen aanspraak kan worden gemaakt op de gefixeerde schaderegeling als enige schade aannemelijk is. Op 3 oktober 1995 stelde een arbiter van de Raad dan ook vast dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad de aanspraak op korting niet kon worden gehonoreerd omdat er sprake was van volledige afwezigheid van schade.

Dat was ongeveer een jaar voordat de Raad een korting van meer dan f. 10.000 toewees zonder dat er sprake was van een aantoonbare schade. In september 1996 gold voor de Raad blijkbaar niet het adagium, dat zij in 1995 had uitgesproken: ‘geen schade, geen korting’.

De arbiter in die zaak moest beslissen over een geschil tussen een bouwondernemer en een aantal kopers/aanbesteders van een patiobungalow a raison van f. 432.000. Dat geschil ging over een last, die op de grond drukte: de grond kon maar gedeeltelijk als tuin worden gebruikt en de hoogte van de beplanting was sterk beperkt.

Kennelijk was dat voor de kopers zo belangrijk, dat zij weigerden mee te werken aan de eigendomsoverdracht van hun huizen. Pas door een vonnis van de Raad werden zij daartoe gedwongen; daarbij kregen zij overigens ook een schadevergoeding van f. 10.000 toegewezen. Ze weigerden echter de facturen van de opleveringstermijn en het meerwerk te voldoen. Dus liep de bouwondernemer weer naar de Raad. De kopers/aanbesteders wilden die twee rekeningen, waarvan de bouwondernemer al de tien mille schadevergoeding had afgetrokken, maar nog altijd samen bijna 34 mille groot, compenseren met de korting wegens te late oplevering.

Nu waren de bungalows, die contractueel uiterlijk 1 juli 1993 opgeleverd hadden moeten worden, pas op 11 november van dat jaar zo ver, dat de eigenaren hun sleutels kregen. Zij maakten daarom aanspraak op de contractuele korting van 0,5 pro mille ( f. 216) per kalenderdag. Omdat er op 11 november 111 kalenderdagen verstreken zijn sinds 1 juli beliep de geeiste korting f. 23.976, slechts f. 4000 minder dan het bedrag van de beide onbetaalde facturen minus de al toegekende schadevergoeding.

De arbiter doorzag dit spelletje natuurlijk direct. De te late oplevering was nagenoeg volledig het gevolg van het feit, dat de kopers/aanbesteders hadden geweigerd mee te werken aan de oplevering omdat er nog een kwestie liep over het gebruik van de tuin en de hoogte van de beplanting. In plaats van de uitkomst van het geschil daarover af te wachten hadden de kopers/aanbesteders zo snel mogelijk tot zaken moeten komen met de bouwondernemer, die zich nota bene bereid had verklaard een billijke schadevergoeding te betalen.

Daarom, zei de arbiter, konden zij in redelijkheid en billijkheid geen aanspraak maken op korting. Bovendien was niet gebleken dat er schade was geleden. De koper/aanbesteder had zijn oude pand pas in februari 1994 ter verkoop aangeboden, drie maanden na de (door eigen toedoen vertraagde) oplevering. Zijn nieuwe bungalow had hij eerst aan het einde van dat jaar betrokken. Van enig financieel of ander belang was dus niets gebleken.

De conclusie van de arbiter was daarom dat de korting niet kon worden toegestaan, want zei hij: “volgens vaste jurisprudentie kan alleen een aanspraak bestaan op de gefixeerde schaderegeling als enige schade aannemelijk is.” Dat drie van zijn collega’s het nog geen jaar later onbelangrijk zouden vinden of er wel schade was geleden omdat zij niet eens hoefden te weten welk belang gemoeid was bij een tijdige oplevering, kon hij toen nog niet weten.

(BR 1997 p. 260)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels