nieuws

Wonen in Nederland steeds gevarieerder

bouwbreed

Het volkshuisvestingsbeleid heeft veel weg van een tango tussen overheid en markt. Naarmate de dans vordert en de spanning stijgt (hoeveel zeggenschap de partners elkaar geven en afnemen) ontstaan in de Nederlandse woningbouw meer en meer variaties in uiterlijk, plattegrond en woningtypen. Twee boeken bieden zicht op deze tussenstand in de voortgaande privatisering.

Het NWR heeft 44 poen gebundeld die in de laatste twee jaargangen van het blad Woningraad zijn verschenen. “Wonen in beeld 95 – 96” is het vierde boek op rij, zodat nu een overzicht beschikbaar is van het werk van volkshuisvesters vanaf 1987. Het Architectuurinstituut geeft elk jaar een jaarboek uit; zoveel aardige woningbouwpoen uit de jaren negentig hebben de jaarboeken net niet gehaald maar zijn wel de moeite waard, dat met dat materiaal een aparte uitgave is gemaakt: ‘Woningbouw in Nederland’.

De twee boeken vertonen beperkte overlap en bieden samen een representatieve doorsnee van de ambities en resultaten in de Nederlandse woningbouw van de negentiger jaren.

Het NAi-boek toont poen van internationale statuur. Het maakt de traditioneel geworden faam waar, die Nederland sinds begin deze eeuw geniet als Mekka van woningbouwarchitectuur. Die faam is niet gebaseerd op het vrijstaande woonhuis – daarmee gaat het in Nederland alleen maar steeds verder beneden de internationale middelmaat. Het gaat om grotere complexen die vrijwel altijd een nauwe samenhang vertonen met het stedenbouwkundige ontwerp.

Programma en uiterlijk

Het NWR-boek bevat in doorsnee werk van mindere goden. Het kenmerk daarvan is vooral dat het in alle opzichten bonter is: meer vormen, materialen en kleuren. De redacteuren zijn daar meestal ook lovend over. Doordat plattegronden nogal eens ontbreken is niet altijd goed te doorgronden wat de samenhang tussen programma en uiterlijk is. Over het algemeen kan worden gezegd dat onevenwichtigheid daarin de achilleshiel van de huidige woningbouw is: veel drukte om weinig winst qua gebruiksmogelijkheden of stedenbouwkundig effect.

Het NAi-boek geeft bij de poen summiere beschrijvingen en oordelen. Het sterke punt in deze uitgave is het inzicht dat wordt geboden in plattegronden en stedenbouwkundige situatie. Minpunt zijn evenwel de foto’s: lang niet allemaal bieden ze een adequaat beeld van de poen. Een inleidend essay geeft een overzicht van de stand van zaken.

Volgens NAi-redacteur Arjen Oosterman is momenteel sprake van steeds duidelijker uiteenlopende woonwensen en leefstijlen waaraan steeds meer variatie in ontwerpen tegemoet komt. Architecten putten daarbij uit een historisch reservoir van typologieen en beelden, die ze op alle mogelijke manieren combineren. Oudere types, die sinds de jaren zestig van het toneel verdwenen waren – patiowoningen, maisonnettes, drive-in-woningen en woontorens – zijn aan een tweede leven begonnen. Wat de materialisering betreft is ook steeds meer mogelijk en wordt volop geexperimenteerd. Met name hout is weer helemaal in.

Zoals al gezegd, is het gevaar van deze drang tot variatie dat ze in de slechtere voorbeelden leidt tot loze drukte. Een tegen beweging is al op gang gekomen. Steeds vaker verschijnen saaie of monolithische gebouwen in het stadsbeeld. Geheimzinnige dozen en sculpturen die van buiten nauwelijks verraden welk een variatie aan woningen ze omvatten.

Breukvlak

De rol van de marktpartijen in dit “veelzijdige panorama”, zoals Oosterman de jaren negentig typeert, is vooralsnog beperkt. Bij het overgrote deel van de ruim vijftig poen in het NAi-boek is een woningbouwvereniging opdrachtgever geweest. Deze proberen zich op het breukvlak tussen gesubsidieerde en vrije markt van hun beste kant te laten zien. Daarmee dingen ze naar de gunst van de kopers en huurders, maar niet minder ook naar die van de lokale overheden. Een beperkt aantal ontwikkelaars is de concurrentie op dat vlak aangegaan. De vraag voor de komende jaren is, hoe de kaarten geschud zullen worden als de dans om de zeggenschap over de woningmarkt haar apotheose nadert. Nog meer variatie louter als imponeergedrag en ‘window-dressing’? Of zet de werkelijke vernieuwing van types, plattegronden en stedenbouwkundige opzet door? Of zal de toekomst gedomineerd worden door het nu al meest gevraagde, maar in de boeken geheel afwezige type: twee-onder-een-kap met tuin in suburbia?

A. Oosterman: “Woningbouw in Nederland”. Uitg. NAi Uitgevers. f. 79,50. ISBN 90-5662-024-X.

“Wonen in beeld”. Uitg. NWR. f. 65. ISBN 90-5009-171-7. Bestellen bij: NWR, tel. 036-5391222.

Voorbeeld van het gemiddelde niveau in het bont uitgevallen NWR-boek: een project in Oss van architectenbureau Bokhoven en Partners uit Maarheeze dat volgens de redacteuren ‘inspiratie uit Italie’ vertoont.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels