nieuws

Restaureren Haags Gemeentemuseum kunst op zich

bouwbreed

Het Haags Gemeentemuseum is nog het komende anderhalf jaar voor het publiek gesloten vanwege een f. 55 miljoen kostende renovatie. Het geesteskind van architect H.P. Berlage (1856-1934) voldeed al geruime tijd niet meer aan de eisen die aan een hedendaags museum worden gesteld. Met name de slechte klimaatcondities maakten de bezienswaardigheid als bewaarplaats voor museale collecties ongeschikt. Met de nodige kunstgrepen wordt hierin momenteel verandering gebracht. De eerste resultaten zijn reeds zichtbaar.

Zelfs de felle voorjaarszon kan het lage, leegstaande complex niet meer opfleuren. De van oorsprong gelige gevel heeft in de loop der tijd veel aan kleur verloren en niet alleen door klimatologische invloeden. De muren vertonen scheuren, roestende lateien achter de messing kappen boven de ramen drukken het metselwerk hier en daar uit de gevel. Ook in het gebouw is het nodige voor verbetering vatbaar. Om de vele bouwkundige verbeteringen te ke doorvoeren is uiteindelijk besloten tot tijdelijke sluiting van het hele museum.

“Er waren te veel noodgrepen nodig om het museum open te houden”, licht projectleider Arie Verschoor van Hillen en Roosen, de coordinerende hoofdaannemer, toe. “Maar de sluiting betekent wel dat we een half jaar eerder ke opleveren.”

De heropening staat nu medio 1998 gepland, het jaar waarin de residentie haar 750-jarig bestaan viert.

Het besluit tot een grootschalige restauratie van het jonge monument komt zeker niet te vroeg. Het complex ontbeerde jarenlang structureel onderhoud. De lijst met bouwkundige gebreken liegt er na zestig jaar dan ook niet om.

Met name de klimaatcondities lieten veel te wensen over. Verschoor: “Lekkende hemelwaterafvoeren liepen gewoon door de kelders die als kunstdepot fungeerden. Veel installaties met betrekking tot ventilatie, verwarming en vocht waren sterk verouderd. Daarnaast viel het nodige aan te merken op de (veiligheid ten aanzien van) elektra. Zelfs de brandmeldinstallatie functioneerde niet meer naar behoren.” Een museum-onwaardige situatie.

Na het treffen van installatievoorzieningen in het het hart van het complex zijn nu ook aan de buitenkant de eerste tastbare resultaten zichtbaar. Wie vanaf de Catsheuvel een blik werpt op het museum ziet dat het complex zijn frisse, gele kleur begint terug te krijgen.

“In totaal zal 8000 m2 gevel onder handen worden genomen”, licht Vincent Heijker, organisatiedeskundige bij Hillen en Roosen toe. “Berlage gebruikte een qua formaat afwijkende steen. De nieuwe ‘oude’ steen is gemaakt van klei uit een Limburgse groeve. Om zo min mogelijk verschil te krijgen tussen de oude en nieuw aangebrachte stenen moest het bakproces worden aangepast; de ene partij gevelstenen heeft een rooiere gloed dan de andere.”

Aan de restauratie – de losstaande Schamhart-vleugel is niet in de plannen opgenomen – ging veel onderzoek vooraf; een zoektocht naar oude technieken en materialen was onontbeerlijk. “Berlage gebruikte veel duurzame bouwmaterialen die zestig jaar later in onbruik zijn geraakt. Hij verwerkte veel messing, koper en glas in zijn ontwerp. Vervanging van deze unieke materialen vereist de nodige (voor)kennis en vakkundigheid”, merkt Heijker op.

Zo is de hele kapconstructie van koper. Daarnaast bedacht Berlage, die een jaar voor de voltooiing van het museum overleed, messing gebronsde kozijnen en koperen afdeklijsten.

Natuurlijke lichtval

Ook het vernieuwen van de glaskap, die het museum zijn internationaal befaamde natuurlijke lichtval bezorgt, bleek een hele klus. Als gevolg van het roesten van de staalconstructie sneuvelden er regelmatig ruiten. “Zo’n 400 strekkende meter glaskappen wordt vernieuwd, waarbij de koperen detaillering in stand blijft.”

Het licht valt door drie lagen glas. “Voor een goede klimaatbeheersing wordt 9 mm bruut draadglas gebruikt met uv-werende folie. Op de vloer zijn de draaibare lamellen gesitueerd waarmee de lichtval wordt geregeld.” Een grote, witte plastic buis duidt op de aanwezigheid van asbest in de glaskappen als gevolg van beschadigde leidingisolatie.

Heijker: “De glassoort verschilt per type vertrek. Soms bestaat een ruit wel uit zes lagen glas die weer zijn voorzien van coatings en folies. Factoren als lichtval, inbraak, brandwerend- en uv-werendheid waren bepalend voor de uiteindelijke keuze.”

Het combineren van oude en nieuwe materialen ter verbetering van de warmte- en luchtbeheersing verliep niet altijd vlekkeloos. “Voor het aanbrengen van dikker isolatieglas moest de constructie van de legramen worden aangepast. Ook bij de kozijnen deed dat probleem zich voor. Uit esthetisch oogpunt werd hier gekozen voor fijnere profielen.”

Bufferende werking

Het bijzondere materiaal- en kleurgebruik van Berlage blijkt ook bij een rondgang door het lege gebouw. De nog altijd fris ogende wand- en vloertegels zijn gebaseerd op een stramienmaat van 11 cm.

Bij de ingang, boven de plaats waar tot voor kort de kassa stond, hangt een rij gele tegels mistroostig los, op sommige plaatsen ontbreken hele stukken tegel. De destijds door Berlage gebruikte machinaal vervaardigde tegels kenmerken zich door een uniforme strakheid en dikte en een grote variatie in kleur. Voor de restauratie zijn acht typen wandtegels en vijf typen vloertegels nodig. De ruim 4000 exemplaren komen van de Koninklijke Tichelaar Makkum.

Heijker: “Kapotte tegels worden verwijderd, loszittend tegelwerk wordt vastgezet door middel van het injecteren van lijm; een arbeidsintensieve bezigheid. Voor de vervangende tegels is glazuuronderzoek in de fabriek te Makkum gedaan. Nieuwe tegels worden gefabriceerd op laboratoriumniveau. Circa 700 m2 tegelwerk wordt gerestaureerd.”

Ook achter het nieuwe, witte stucwerk zit een geschiedenis. “Het moet een bufferende werking hebben om bij grote luchtvochtigheid in de museumzalen condensatie op het gevelglas te voorkomen. Het nieuwe stucwerk vereist een materiaal/structuur verhouding met diezelfde eigenschap.”

De restauratie naar een ontwerp van het Haagse bureau Braaksma en Roos vindt plaats in de denktrant van Berlage. Toch blijken niet alle oorspronkelijke ideeen van Berlage de tand des tijds te doorstaan. Op de verdieping wijst Heijker naar de schuine hoeken. “Hierachter zat de mechanische aansturing voor de lamellen boven de legramen. De lichtregeling vindt straks niet meer mechanisch maar elektrisch plaats in de glaskap. Deze loze ruimtes doen

straks dienst als leidingschachten ten behoeve van luchtbehandelingskanalen.”

Daarnaast zijn alle hemelwaterafvoeren buiten het museum gebracht om te voorkomen dat bij calamiteiten het gebouw schade ondervindt als gevolg van lekkage.

Kostuumkelder

Behalve herstelwerkzaamheden aan de museumkamers, het archief en het paviljoen bevat het restauratiepo ook een bijzonder staaltje van nieuwbouw, die het uiterlijk van het museum onaangetast laat. Onder de binnentuin komt een tentoonstellingsruimte met een oppervlakte van 700 m2 waar in de toekomst de lichtgevoelige kledingcollectie zal zijn te bewonderen.

Deze onderkeldering is gemaakt in een bouwput. Daartoe zijn damwanden trillingvrij de grond in gebracht. In de put is de grond in den natte ontgraven door een zandzuiger en via een pijpleiding afgevoerd. De tuin is tot vijf meter beneden het maaiveld uitgegraven.Vervolgens is de aansluiting van de damwanden met de bestaande gevel geinjecteerd, zodat er geen water meer door kan dringen.

Daarna zijn verticale groutankers in de bodem van de bouwput aangebracht en is onderwaterbeton gestort. De put is leeggepompt waarna de betonnen constructieve vloer en de wanden zijn gestort.

De komende weken wordt de kelder van een dak voorzien waarna met de tuinaanleg kan worden begonnen. De rondom deze kelder gesitueerde depots worden omgeven door een rondgaande ‘leidingenstraat’. Het erachter gesitueerde ketelhuis krijgt in verband met toepassing van stadsverwarming een herbestemming tot technische werkplaatsen. De twee karakteristieke schoorstenen blijven overigens wel behouden, ze zullen in de toekomst worden gebruikt om schone lucht aan te zuigen.

Wie heeft een oplossing

voor ‘de neus’ van Berlage?

Bij de bouw van het Haags Gemeentemuseum in 1935 maakte Berlage gebruik van allerhande materialen en technieken waarvan vele zestig jaar later in onbruik zijn geraakt. Een van de verloren gegane productietechnieken betreft de rubberen trapafwerking. De treden van de zes in natuursteen uitgevoerde publiekstrappen zijn destijds uitgefrased en ingelegd met 6 mm dik rubber met een gevlamde tekening, destijds gefabriceerd door Vredestein. Rubberen loopvlak en trapneus werden gegoten waardoor ze een geheel vormden. De trapneuzen kenmerkten zich door een 1,5 cm verdikte rand met afgeronde bovenkant.

In het kader van de restauratie van het museum dient het oorspronkelijke, nu 60 jaar oude rubber te worden vervangen. Daarbij is vooral het profiel van de trapneus een probleem, aangezien de huidige standaard neuzen qua profilering en kleur in sterke mate afwijken van de door Berlage toegepaste neuzen.

Een ieder die hiervoor een oplossing denkt te hebben, kan contact opnemen met mevr. ir. S. Lemmens van architectenbureau Braaksma en Roos voor nadere technische informatie (tel: 070-358 98 18).

Het 60-jarige Haags Gemeentemuseum aan de Stadhouderslaan is tot medio 1998 gesloten. Het complex ondergaat een f. 55 miljoen kostende renovatie. Foto: Haags Gemeentemuseum

Los zittende wandtegels worden door middel van het injecteren van lijm vastgezet. Foto: Ton Borsboom

Op het dak van de hier nog openliggende kostuumkelder wordt de binnentuin opnieuw aangelegd.

Foto: Ton Borsboom

Ruim 400 strekkende meter glaskappen wordt vernieuwd. Het licht valt door drie lagen glas die voor de natuurlijke lichtval zorgen.

Herstelwerkzaamheden aan de buitengevel. De muren vertonen scheuren, roestende lateien achter de messing kappen boven de ramen drukten het metselwerk hier en daar uit de gevel. Foto: Ton Borsboom

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels