nieuws

‘Overstap naar groot bureau was taboe’

bouwbreed

Jarenlang begonnen jonge talentvolle architecten na hun studie een eigen bureau. In dienst treden bij een ervaren, groot bureau was taboe. De jongste generatie breekt daarmee, zoals Bjarne Mastenbroek. Hij stapte binnen bij de architectengroep. Bij dat bureau kreeg hij de vrijheid om grote opdrachten aan te pakken die hij anders pas na tien jaar ploeteren had ke verwerven. De prijs voor het breken van het taboe: “Ik heb onderschat hoezeer ik door mijn omgeving het stempel opgedrukt kreeg dat ik nu afgeschreven was.”

Bij de architectengroep in Amsterdam werken meer dan tachtig mensen. Het is een respectabel bureau met coryfeeen als de professoren Loerakker, Rijnboutt en Ruijssenaars en woningbouwer Hendriks. Ze zitten sinds kort in het Westerdokhuis, een verbouwd pakhuis vanwaaruit ooit heel Amsterdam van meel werd voorzien. De verbouwing is allicht door het bureau zelf ontworpen. Het gebouw is tot op het bot kaal geschraapt. Onopgesmukt beton, hout en glas bepalen het beeld. Waar ooit silo’s zaten zijn vides gemaakt. Er heerst de provisorische, open sfeer van een atelier.

Het ontwerp is van de jongste architect van de firma, Bjarne Mastenbroek (1964). Sinds 1993 maakt hij deel uit van de architectengroep, vanaf begin dit jaar als mede-directeur. Hij kwam binnen samen met Dick van Gameren, met wie hij eerder een eigen bureau van de grond probeerde te krijgen. Deze transfer van veelbelovend talent baarde opzien. Voor de architectengroep was het een verrijking, voor Mastenbroek en Van Gameren betekende het dat ze “tien jaar ploeteren” om een bureau op te bouwen konden overslaan. “Maar ik heb onderschat”, zegt Mastenbroek, “dat ik door collega’s het stempel opgedrukt kreeg dat we nu waren afgeschreven; voor een ander werken, dat doe je niet. Ze zien het alsof de deur nu achter mij als zelfstandig architect in het slot is gevallen.”

Het taboe om als jong talent bij een groot bestaand bureau te gaan werken, daar gaat het gesprek met Mastenbroek over. Wat zijn de voordelen voor hem en voor het bureau?

Van Gameren studeerde in 1988 in Delft cum laude af, Mastenbroek een jaar later met een eervolle vermelding. Beiden deden ervaring op bij architectenbureau Mecanoo. Mastenbroek werkte voorts in Barcelona en reisde door Mexico, daarna begon hij met Van Gameren in 1991 een eigen bureau. De start was het winnen van een prijsvraag voor woningbouw in Nijmegen. Een start die werd vergemakkelijkt door stipendia die beiden verwierven.

Waarom begonnen jullie met z’n tweeen?

Mastenbroek: “Ik ben eigenlijk maar in een ding geinteresseerd: gebouwen en stadslandschappen ontwerpen, om daar zelf vorm aan te geven. Dan is een eigen bureau beginnen de kortste en helderste weg. Maar ik wilde niet in mijn eentje zitten. Wisselwerking, discussie met een ander is een voorwaarde om van architectuur meer te maken dan een persoonlijke kronkel. Ik kende Dick vanuit het onderwijs en wij hebben samen aan prijsvragen meegedaan. Dick heeft een fenomenaal geheugen en grote kennis van de architectuurgeschiedenis. Daar sluit goed bij aan dat ik vooral geinteresseerd ben om daarop voort te bouwen.”

Is dat eigenlijk niet vreemd, dat de overheid subsidie geeft aan steeds weer nieuwe bureaus? Waarom zou een jong architect niet gewoon bij een bestaand bureau aan de slag ke?

Mastenbroek: “Elders in Europa is men jaloers op het Nederlandse architectuurklimaat. In andere landen zie je dat architecten veel langer in het studentikoze circuit blijven hangen. Dat het onmogelijk is om zich zelfstandig te vestigen. Die zelfstandigheid schept een vrijheid om je verder te ontwikkelen die je binnen een bestaand bureau nooit zult vinden. Welk bureau is zo gek dat je een half jaar zou mogen studeren op een of ander experimenteel idee?”

“Je stopt dan zoveel tijd en energie in het ontwerp dat je vrijwel voor een minimumloon werkt. De vrijheid om te experimenteren die jonge bureaus zich ke veroorloven stimuleert een ander soort opdrachtgevers. Die passeren de gevestigde bureaus omdat ze behoefte hebben aan nieuwe oplossingen. De maatschappij verandert steeds en vraagt om nieuwe oplossingen. Dat geeft kansen aan jonge bureaus. Omdat de opdrachtgevers zich ervan bewust zijn dat het een ‘gesubsidieerde’ dienst is die ze krijgen, voelen ze zich vaak verplicht hier bewuster mee om te gaan. De wetten van de markt – ‘wie betaalt die bepaalt’ – werken op dat moment niet meer zo sterk. Het stimuleert bij opdrachtgevers het bewustzijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Er ontstaat een cultuur waarin het maatschappelijk belang van architectuur serieus wordt genomen.”

Kun je je niet ontwikkelen binnen een bestaand, ervaren bureau? Is daar geen plaats voor experimenten?

“Het gevaar van een groot bureau is dat je stapt op een rijdende trein. En het is maar de vraag of de richting spoort met de eigen ontwikkeling. Voor je het weet word je bedolven onder het werk. Gezien vanuit het bureau is er ook een gevaar: als je iemand die net van de TU komt opleidt binnen het systeem van het bureau, heb je grote kans op ‘inteelt’ – dat het jong talent zich voegt naar het bureau, terwijl het bureau net nieuw bloed wilde, nieuwe impulsen.”

Je zei dat een eigen bureau de kortste weg is, maar ook dat het tien jaar ploeteren is. Is dat niet met elkaar in tegenspraak?

Mastenbroek: “Met ons eigen bureau konden wij tonen waar wij voor staan. Daarom zijn wij later gevraagd en kregen wij de ruimte binnen een bestaand bureau. Dat is anders wanneer je erin moet groeien en die ruimte zelf moet creeren, wellicht ten koste van anderen. Ik zeg niet dat een eigen bureau de enige weg is. Iedereen moet daarin zijn eigen plan trekken. Het belangrijkste is dat je de gelegenheid creeert om te laten zien wat je kunt. Je moet laten zien waar je voor staat.”

Toch werk je nu binnen een groot, gerenommeerd bureau.

Mastenbroek: “Hier bij de architectengroep heb ik het gevoel dat ik mijn eigen bureau heb. Het is geen breuk tussen het eigen bureau en dit, er is eerder sprake van continuiteit. We hebben hier de kans gekregen om eerst in de luwte te werken. Er was niet gelijk de druk dat we een bepaald rendement moesten opleveren of moesten zorgen voor een goed gevulde orderportefeuille.”

“De vraag of we naar de architectengroep wilden komen, kwam eigenlijk te vroeg, want we kwamen als jong bureau net op gang. Maar we hadden sympathie voor de organisatiestructuur die ons de gewenste ruimte zou bieden. We wisten dat we zo’n kans over een paar jaar niet nog eens zouden krijgen. Verreweg het belangrijkste was dat het ons de mogelijkheid zou bieden grotere projecten te doen met nieuwe, interessante opdrachtgevers. Dat was altijd al onze ambitie. Omdat opdrachtgevers soms bang zijn om een klein bureau in te schakelen, duurt het anders tien jaar voordat je met een eigen bureau zover bent. Voor de architectengroep was het natuurlijk ook een kans; namelijk dat er met ons een nieuw type opdrachtgevers kon binnenkomen.”

Bureaus die nieuw bloed willen, moeten het jong talent dus veel ruimte geven?

Mastenbroek: “Met alleen een sollicitatieprocedure redt zo’n bureau het niet. Er moet inderdaad ruimte en tijd voor een ontwikkeling zijn.”

“Door de bijzondere opzet van de architectengroep is er een mooie balans tussen alle belangen. Het is een stichting in combinatie met een bv. Alle aandelen berusten bij de stichting. Iedereen die hier langer dan een jaar werkt krijgt een stem in die stichting, waarvan het bestuur functioneert als een soort ondernemingsraad. Voor de dagelijkse gang van zaken is er een directie van vijf architecten en een algemeen directeur. Het voordeel is dat architecten ke instappen zonder dat zij grote schulden moeten maken om zich in te kopen. Bij het uitstappen speelt geld ook geen rol. Het is dus gemakkelijker om te rouleren. Het bureau kent daardoor een continuiteit die verder gaat dan het leven van een architect.”

“Er speelt ook niet zo sterk de keuze ‘maak ik winst of maak ik kwaliteit’, wat voor veel jonge bureaus de grote vraag is. Doordat de geldzaken op afstand staan, is het ontspannen werken en kan ik me concentreren op het maken van gebouwen. Het is een mooie formule: iedere architect werkt hier zelfstandig, maar als bedrijf helpen we elkaar.”

De architectengroep verkondigt luid en duidelijk dat de architect spil moet blijven in het ontwerpproces en meer moet zijn dan slechts esthetisch adviseur. Speelde dat voor jou een rol bij de beslissing toe te treden?

Mastenbroek: “Essentieel voor een architect is: ontwerpen maken. Ontwerpen die reageren op de maatschappelijke situatie, op de stad, het land, de buurt. Dat gaat dus verder dan het deelbelang van de opdrachtgever. In Mexico kun je misschien nog een solitair gebouw neerzetten, in Nederland is er altijd een samenhang met de situatie. Dat wil niet zeggen dat een architect alles zelf moet doen. Hij hoeft niet als een bouwmeester elk detail te doen, als hij maar wel de auteur van het werk kan zijn. Daar moet je pragmatisch mee omgaan, je kunt eventueel externe bureaus inschakelen. Mits je als architect maar een integrerende rol kan spelen en de prioriteiten kan bepalen. Je moet ke experimenteren met de situatie en het programma om het maximale uit een ontwerp te halen. De opdrachtgever moet zich van het belang daarvan bewust zijn.”

Wat betekent dat voor het onderwijs, wat voor bagage moet een architect meekrijgen?

Mastenbroek: “Het schoolse systeem dat nu in Delft is ingevoerd is onzinnig. Het belangrijkste is dat je leert om relevante modellen te maken. Dat je vertrouwen krijgt in de keuzes die je daarvoor moet maken. In Nederland is architectuur niet los te zien van de maatschappelijke context. Je moet dus ke nadenken over de maatschappelijke ontwikkelingen. Tijdens de studiejaren ben je daar vatbaar voor en heb je er de tijd voor. Het is jammer dat voor zo’n brede, minder op rendement gerichte opleiding momenteel geen plaats is in Delft. Het gaat nu meer om het vergaren van feiten dan om de analyse. In universitair onderwijs vind ik de eigen inbreng van een student van elementair belang. Dat pad vernauwen is op lange termijn contraproductief. Dat pad is relevanter dan vakken als bouwtechniek, die al snel gedateerd zijn, zeker als docenten niet in de praktijk werken. Dat leer je tien maal sneller op een bureau.”

Tom Maas

Interieur van het door Bjarne Mastenbroek verbouwde meelpakhuis dat nu dient als onderkomen voor de architectengroep. Foto’s: Michel Boesveld

Na het winnen van een prijsvraag realiseerden Mastenbroek en zijn compagnon dit woningbouwpo in Nijmegen, dat zich onder andere onderscheidt door een parkeerdek op het dak.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels