nieuws

Ontwikkelingswerk mag bevolking niet schaden

bouwbreed

Ontwikkeling komt welbeschouwd tot stand door een botsing tussen diverse cultureel bepaalde werkwijzen en ethische opvattingen. De gulden middenweg tussen deze verschillen is moeilijk te vinden. Niet in de laatste plaats omdat voornamelijk regeringen en internationale financiele instellingen ontwikkelingsgelden verdelen en dus bepalen wat er gebeurt. Onafhankelijke organisaties als de Verenigde Naties of het internationale gerechtshof in Den Haag zouden met passende maatregelen de belangen van de plaatselijke bevolking beter ke beschermen, stelt A. van Dongen in Culture as Method.

Aan de bouw van stuwdammen in meer of minder ontwikkelde landen zitten meer aspecten dan alleen technische en economische. Infrastructuur grijpt fors bij sociaal-culturele en politieke processen in. Beleidsmakers raken daarvan steeds meer overtuigd. Een goed voorbeeld biedt de bouw van de Kedung Ombo-dam in Centraal-Java. De investering hiervoor bedroeg zo’n f. 450 miljoen waarvoor de Wereldbank ongeveer f. 333 miljoen uitleende. De Indonesische overheid en de Japanse Export-Import Bank droegen het restant bij. Het po verbetert sinds de oplevering de omstandigheden voor de landbouw en stimuleert de verstedelijking. Een groot deel van de elektriciteit die de bijbehorende waterkrachtturbines opwekken gaat naar de omliggende steden. Op die manier verbeteren de levensomstandigheden in het stedelijke gebied wat weer nieuwe inwoners en bedrijven aantrekt.

Leed

De plaatselijke bevolking leed daarentegen aanzienlijk onder de werken. De grondruil voor boeren leverde nogal wat problemen op, velen werden gedwongen om te verhuizen en het milieu liep grote schade op. Plaatselijke en internationale niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) brachten deze feiten onder de aandacht van het publiek en van de ontwikkelingsinstituten van de overheid. De plaatselijke bevolking kreeg evenwel weinig kans mee te praten over het po. De Indonesische regering stelde een schadevergoeding vast die beneden de werkelijke waarde lag. Het verhuizingsprogramma liep op een fiasco uit. Op papier zou 90 procent van de bevolking naar elders gaan. Slechts 20 procent van de betrokkenen accepteerde de compensatie. Eenmaal op de nieuwe bestemming aangekomen bleek dat daar met hun komst nauwelijks rekening was gehouden. Met als gevolg dat hun levensomstandigheden niet zelden fors verslechterden.

Een van de betrokken NGO’s organiseerde internationale steun voor de betrokken plaatselijke bewoners. De organisatie hield de Wereldbank, de medefinancier van het po, voor te weinig voor deze mensen te hebben ondernomen. De Indonesische NGO’s die de plaatselijke bevolking vertegenwoordigden boekten weinig succes. Welbeschouwd bereikten ze het tegendeel omdat de plaatselijke overheid vaak hardhandig het gebied onder controle hielden. Al dan niet aan de hand van omstreden gerechtelijke uitspraken. De NGO’s die internationaal aandacht vroegen zeiden dat de acties een succes waren. Temeer omdat de Wereldbank toezegde voortaan meer werk te maken van de belangen van de plaatselijke bewoners. De bevindingen van het Kedung Ombo-po maken geen deel uit van het nieuwe informatiebeleid. Dat is temeer jammer omdat de dam anders dan voorspeld geen einde heeft gemaakt aan de overstromingen in het gebied.

Cultureel anthropologe A. van Dongen schreef het proefschrift ‘Culture as Method – Homogenizing or Heterogenizing Strategies of Change: The case of the International NGO Forum on Indonesian Development (INFID)’ voor de Rotterdam School of Management/ #Erasmus Universiteit.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels