nieuws

Omzetbelasting op bouwgrond

bouwbreed

In november 1994 schreef ik u dat er toen zo’n honderd procedures liepen waarin kopers van bouwgrond de door hun gemeenten ten onrechte in rekening gebrachte BTW terugvorderden. Zij deden dat na een uitspraak van de Hoge Raad, dat alleen bouwgrond waarvoor (door de gemeenten) voorzieningen zijn getroffen onder de Wet op de Omzetbelasting valt.

Op 23 november 1993 besliste de rechtbank te Assen over zo’n eis tot terugbetaling. De gemeente Zuidwolde had op 17 december 1990 aan een zekere Kruit een perceel onbewerkte grond verkocht, waarvoor hem f. 31.075 omzetbelasting in rekening was gebracht. Nu had de Hoge Raad vier weken daarvoor net beslist, dat bij de verkoop van grond die niet zelf is bewerkt, geen BTW verschuldigd is.

De gemeente had dus eigenlijk met die uitspraak rekening moeten houden en de grond belastingvrij aan de koper moeten overdragen. Maar de gemeente droeg de door haar geincasseerde BTW netjes aan de belastingdienst over en liet de termijn voor het instellen van bezwaar tegen dat op aangifte voldane bedrag verstrijken. Daardoor kon Zuidwolde op geen enkele manier meer opkomen tegen de verschuldigdheid van dat bedrag.

Maar daar hoefde hij niet de dupe van te worden vond Kruit. Hij eiste dus van Zuidwolde dat BTW-bedrag als zijnde onverschuldigd betaald terug. De rechtbank zat er blijkbaar een beetje mee want met het afwijzen van die eis was meer dan veertien maanden gemoeid. Het Hof in Leeuwarden, waarbij Kruit in beroep ging, deed er zelfs anderhalf jaar over.

Dan maar naar de Hoge Raad want – zo redeneerde Kruit waarschijn-lijk – die heeft per slot van rekening in 1990 beslist, dat een perceel grond zoals ik gekocht heb niet aangemerkt kan worden als een “vervaardigd onroerend goed”. Dat Hof was tot de conclusie gekomen, dat onder omzetbelasting die door een gemeente volgens de wet verschuldigd is, ook de door de gemeente betaalde omzetbelasting valt als die tegen die verschuldigdheid niet binnen de wettelijke termijn bezwaar heeft ingesteld.

Dat leek onze koper toch wat vreemd. De vraag of in de verhouding tussen gemeente en Rijk de heffing van omzetbelasting in een geval als dit juist is, mag toch geen rol spelen bij de beoordeling van de vraag of hij, Kruit, die belasting al dan niet onverschuldigd betaald heeft. Hij had toch niet de mogelijkheid om de verhouding tussen die twee bestuurlijke organen op het punt van de afdracht van omzetbelasting te veranderen. En als hij als direct belanghebbende geen rechtsmiddel had om bezwaar te maken tegen datgene wat tussen zijn gemeente en het Rijk was vastgesteld, stond hem toch geen andere weg open dan de onverschuldigde BTW van de gemeente terug te vorderen?

Het Hof in Leeuwarden had vastgesteld, dat er hier geen sprake was van een onverschuldigde betaling. Die betaling had immers plaatsgevonden op grond van het feit, dat deze omzetbelasting ‘volgens de wet verschuldigd was’. Maar dat was nu net niet zo, vond Kruit. “In je eigen uitspraak van 1990, dat beruchte St. Oedenrode arrest, heb je immers gezegd dat grond pas bouwrijp is als die zelf bewerkt is en er voorzieningen zijn getroffen, die ‘dienstbaar’ zijn aan dat stuk grond. Dat was bij mijn grond niet gebeurd toen ik het kocht.”

Het Hof had een andere redenering gevolgd en was helemaal niet aan de vraag toegekomen of die grond wel een “vervaardigd onroerend goed” was. Voor deze hoogste feitelijke rechter was de vraag beslissend of de omzetbelasting, die Kruit had betaald, door de gemeente Zuidwolde volgens de wet verschuldigd was. Toen Zuidwolde dat bedrag op eigen aangifte had betaald en de termijn om alsnog bezwaar te maken tegen die verschuldigdheid had laten verstrijken, stond formeel vast, dat die BTW volgens de wet verschuldigd was.

De Hoge Raad dekte die strikt formele redenering. “Het oordeel, dat onder ‘volgens de wet verschuldigde omzetbelasting’ ook valt de BTW, die verschuldigd is gebleven omdat geen gebruik is gemaakt van de tegen de heffing daarvan openstaande administratieve rechtsgang, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.” Zo loste ons hoogste rechtscollege het voor de overheid zo vervelende probleem op, dat was ontstaan door het arrest van 1990, waarin beslist werd dat zij geen BTW over onbewerkte bouwkavels mocht heffen.

Want een probleem was het geworden. Aan de ene kant werden tientallen gemeenten geconfronteerd met claims tot terugbetaling van in feite ten onrechte geheven omzetbelasting; aan de andere kant weigerde het Rijk de gemeenten die de redelijkheid van die claims hadden ingezien en tot terugbetaling waren overgegaan dat geld te restitueren.

Is er dan helemaal geen hoop meer voor al die tientallen mensen, die zich door hun gemeente en het Rijk gedupeerd voelen?

Misschien biedt een overweging in dit arrest van eind 1996 nog een mogelijkheid. De Hoge Raad vindt het van belang dat in dit geding niet aangevoerd was dat de gemeente Zuidwolde op het moment dat zij de omzetbelasting betaalde, had behoren te weten dat die niet verschuldigd was, althans voor het verstrijken van de bezwaartermijn had moeten beseffen dat een bezwaarschrift een redelijke kans op succes zou hebben. De uitleg van een beding, dat de gemeente zelfs in die gevallen de door hem betaalde BTW mocht doorberekenen, zou immers onbegrijpelijk zijn geweest.

Maar in alle gevallen, waarin de heffing van omzetbelasting tussen een gemeente en de Staat ‘formele rechtskracht’ – zoals juristen dit noemen – heeft gekregen, ke kopers van bouwkavels door deze uitspraak de teruggave van BTW wel vergeten. Voor mijn rechtsgevoel en naar ik denk ook veel andere Nederlanders bepaald niet een bevredigende conclusie.

(BR 1997 p.252)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels