nieuws

Europese Medezeggenschap een feit

bouwbreed

Op 5 februari jl. is in Nederland de Wet op de Europese Ondernemingsraad van kracht geworden, meer dan vier maanden later dan voorgeschreven door de Europese richtlijn waar de wet op is gebaseerd.

In deze beschouwing zal een aantal in het oog springende aspecten van deze bijzondere Wet onder de loep worden genomen. Het is immers voor het eerst dat transnationale medezeggenschap een wettelijke basis heeft gekregen in Nederland.

Reikwijdte

Ondernemingen met meer dan 1000 werknemers in de Europese Unie (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) en de landen van de Europese Economische Ruimte (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) vallen onder de reikwijdte van de Wet, indien zij tenminste sinds twee jaar gemiddeld 150 werknemers in twee verschillende lidstaten in dienst hebben.

Het Verenigd Koninkrijk valt niet onder de richtlijn, omdat dit land de sociale paragraaf van het Verdrag van Maastricht niet heeft ondertekend. Waar dus in deze context over lidstaten wordt gesproken of over de Europese Unie, dient het Verenigd Koninkrijk te worden weggedacht. Wellicht dat dit na 1 mei a.s. anders zal worden als de Labour Party van Tony Blair de verkiezingen wint en het Verenigd Koninkrijk alsnog de sociale paragraaf zal ratificeren.

De verplichting om de Wet toe te passen rust op de hoogste bestuurslaag in een concern dat in Nederland zijn oorsprong heeft. Geschat wordt dat een honderdtal ondernemingen van Nederlandse origine aan de hierboven vermelde criteria voldoet.

Pre Accoord

De Wet is niet van toepassing op zogenaamde Pre Accoorden. Dat zijn vrijwillige overeenkomsten die voor 22 september 1996 zijn gesloten door ondernemingen met werknemersvertegenwoordigers, waarbij transnationale zeggenschap wordt geregeld voor alle werknemers. In eerste instantie zijn vooral door concerns met een Franse en Duitse achtergrond dergelijke pre accoorden gesloten en vreemd genoeg ook door een aantal Engelse concerns.

Echter, op de valreep heeft ook zo’n vijftiental Nederlandse multinationals pre accoorden gesloten. Onder hen zijn ondernemingen als ING, Campina, Philips, Bols Wessanen, Randstad, Shell, Daf, Nutricia en Hoogovens. Hun transnationale medezeggenschap wordt dus niet door de wet geregeld, maar door de overeenkomst die afgesloten is met de werknemersvertegenwoordigers.

Wat wel opvalt is dat de Nederlandse regelgeving z’n schaduw vooruit heeft geworpen. De pre accoorden wijken op een aantal essentiele onderdelen niet veel af van de Wet.

Onderhandeling

Voor multinationale ondernemingen met een Nederlandse basis die geen pre accoord hebben gesloten, schrijft de Wet een procedure voor die tot een overeenkomst over een Europese Ondernemingsraad moet leiden. Op eigen initiatief dan wel op verzoek van 150 werknemers (of hun vertegenwoordigers) uit tenminste twee verschillende landen dient het hoofdbestuur van een onderneming een Bijzondere Onderhandelingsgroep in te stellen.

Volgens de Nederlandse Wet zal vanuit elke lidstaat waar het multinationale concern gevestigd is, 1 vertegenwoordiger in de Bijzondere Onderhandelings Groep zitting hebben, en 1, 2 respectievelijk 3 extra leden voor iedere lidstaat waar tenminste 25%, 50% respectievelijk 75% van het werknemersbestand werkzaam is. De Nederlandse vertegenwoordigers in de Bijzondere Onderhandelings Groep worden aangewezen door de centrale ondernemingsraad. De buitenlandse vertegenwoordigers worden aangewezen volgens de regelgeving over Europese Ondernemingsraden in de betreffende lidstaten.

De bedoeling is dat de Bijzondere Onderhandelings Groep met het hoofdbestuur gaat onderhandelen over een overeenkomst, die, als deze tot stand komt, tenminste moet bevatten:

– voor welke ondernemingen de Europese Ondernemings Raad is ingesteld;

– het werkterrein en de bevoegdheden van de Ondernemings Raad;

– de wijze van inlichting en raadpleging van de Europese Ondernemings Raad;

– frequentie, duur en plaats van de vergadering;

– financiele en materiele middelen Europese Ondernemings Raad.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat het hoofdbestuur en de Bijzondere Onderhandelings Groep binnen bepaalde marges de vrijheid hebben om de transnationale zeggenschap vorm te geven zoals zij goeddunken. Er is dus nog geen sprake van een confectiepak; maatwerk is nog mogelijk.

Verplicht Regime

Indien na 3 jaar onderhandelen tussen de Bijzondere Onderhandelings Groep en het hoofdbestuur geen resultaat is bereikt of indien geen Bijzondere Onderhandelings Groep is ingesteld binnen 6 maanden nadat daarom verzocht is, bepaalt de Wet hoe de Europese Ondernemingsraad eruit komt te zien en wat zijn bevoegdheden zijn. Van maatwerk is dan geen sprake meer.

De wet bepaalt hoe de transnationale zeggenschap dient te verlopen. Volgens de Wet is in dit geval de bevoegdheid van de Europese Ondernemings Raad beperkt tot informatieverstrekking en raadpleging over vraagstukken die van belang zijn voor het hele concern met een communautaire dimensie of voor tenminste twee ondernemingen in twee verschillende landen.

De vergadering tussen hoofdbestuur en Europese Ondernemings Raad vindt in beginsel eenmaal per jaar plaats en gaat over de volgende onderwerpen: structuur concern, financieel-economische positie, vermoedelijke activiteitenontwikkeling, productie en afzet, investeringen, wezenlijke veranderingen in de organisatie, milieuzorg, fusie, verplaatsing, inkrimping of sluiting ondernemingen en de stand en ontwikkeling van werkgelegenheid en collectief ontslag.

Bij bijzondere omstandigheden die aanzienlijke gevolgen ke hebben voor de belangen van werknemers in twee landen, zoals een collectief ontslag, kan een extra vergadering worden belegd. De toevoeging in de Nederlandse wetgeving dat een dergelijke vergadering plaats moet vinden op een moment dat het nog zinvol is, heeft voor enige politieke beroering gezorgd in Nederland, maar valt gezien de Nederlandse medezeggenschapshistorie te begrijpen. De toevoeging gaat echter verder dan de Europese richtlijn en was om deze reden moeilijk te verkroppen voor de werkgeversorganisatie en de Japanse en Amerikaanse Kamers van Koophandel in Nederland.

Slotopmerkingen

De komende jaren zullen moeten uitwijzen of Europese medezeggenschap zinvol is of zal functioneren. Er zullen veel problemen moeten worden overwonnen. Te denken valt bijvoorbeeld aan taal- en cultuurbarrieres, eigen belangen van werknemers en opeenstapeling van consultatieverplichtingen. De Wet heeft als uitgangspunt dat de Europese Ondernemings Raad geen bevoegdheden weghaalt bij de “normale” ondernemingsraden in Nederland. Of dit werkelijk het geval is, zal de praktijk moeten uitwijzen. Wel moet geconstateerd worden dat een Europese ondernemingsraad minder vergaande bevoegdheden heeft dan een Nederlandse ondernemingsraad, aangezien deze geen advies- en instemmingsrecht heeft zoals een Nederlandse ondernemingsraad.

In ieder geval moeten de grotere multinationale ondernemingen sinds kort rekening houden met een nieuwe vorm van internationaal overleg met werknemers.

Dit artikel is geschreven door mr Scipio M. van der Stoel, werkzaam bij Wouters Advocaten te Amsterdam, geassocieerd met Arthur Andersen en Co. Belastingadviseurs. Bij vragen is de auteur te bereiken onder telefoonnummer 020 503 97 97.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels