nieuws

Buitenlanders lonken naar Nederlandse ingenieursmarkt

bouwbreed

Concurrentie uit het buitenland is een bedreiging voor de Nederlandse ingenieursbureaus. Op dit moment wordt de markt nog gedomineerd door hoofdzakelijk Nederlandse bureaus. Maar de veelheid aan werk nu en in de toekomst kan buitenlanders lokken.

“Er is een tekort aan civiel geschoolde mensen en dat geldt voor zowel universitair als hbo-niveau. De grotere infrawerken en de woningbouwontwikkelingen die op de rol staan, ke daardoor niet alleen door de Nederlanders worden gedaan. Samen met het Europees aanbesteden geeft dat de mogelijkheid voor buitenlanders om hier te beginnen”, meent ir. Fokke Gietema, lid raad van bestuur van de Grontmij. Het in De Bilt gevestigde ingenieursbureau lichtte gis-teren de resultaten over 1996 toe.

Om de grote hoeveelheid werk aan te ke, zijn zowel Rijkswaterstaat als Nederlandse Spoorwegen druk in overleg met de markt. De gesprekken worden geleid door Jan Reneman, oud-topman van de Grontmij. De beide opdachtgevers zijn niet in staat de miljardeninvesteringen alleen te realiseren, en bij de marktpartijen dreigt een tekort aan gekwalificeerd personeel. Eerder in deze krant heeft DHV-topman, Hans Huis in ’t Veld, aangegeven dat hij het personele probleem deels oplost door via het internationale netwerk van zijn bedrijf mensen naar Nederland te halen.

Inmiddels zijn er signalen dat buitenlandse bureaus via een overname een positie in de markt willen verwerven. Dames en Moore uit Los Angeles is tot nu toe het enige buitenlandse bureau van enige omvang dat een positie aan het opbouwen is. In de ogen van minister Jorritsma en de commissie Cohen – van de werkgroep Markt en Overheid – moet de markt meer gaan doen. Het wordt daarom voor de buitenlanders interessant om te kopen. Overigens komt professor Cohen deze maand met zijn eindrapportage. Oktober vorig jaar gaf Cohen al aan dat er een volledige scheiding moet komen tussen publieke taken van een overheid en de commerciele activiteiten.

Meer markt

In de ogen van de grote ingenieursbureaus en de brancheorganisatie, de Onri, geeft Rotterdam op dit gebied een slecht voorbeeld. Gemeentewerken Rotterdam zou net als de Amsterdamse dienst op armlengte moeten worden geplaatst. “Om dan later te worden vervreemd. Hier wreekt zich echter de wet van de remmende voorsprong”, meent Gietema.

“Gemeentewerken Rotterdam is een buitengewoon professionele organisatie die in de jaren zeventig kennis heeft opgebouwd van bijvoorbeeld de tunnelbouw. Inmiddels is de markt goed, zo niet beter geworden. Het heeft daarom geen zin meer om vast te houden aan deze situatie. Op het vlak van de woningbouw zijn we eerst actief geworden voor de kleine en middelgrote gemeenten. Inmiddels werken we ook voor de grootste gemeenten in Nederland, behalve in Rotterdam. Echter hier betreden we de woningmarkt via poontwikkelaars. Die schakelen ons in voor ingenieursdiensten. De rol van poontwikkelaars wordt groter en dat is gunstig voor onze branche.”

Op de persconferentie werd ook de omstreden nieuwe topstructuur getoond. De nieuwe voorzitter raad van bestuur van Grontmij, Jan Hillege, wilde niet aangeven wat nu de pijnpunten waren waardoor zijn voorganger, Jan Reneman, vertrok. Reneman vertrok halverwege vorig jaar na een botsing met de raad van commissarissen over de door Mc Kinsey and Company geadviseerde bedrijfsstructuur. Hillege uitte zich in vaagheden: “Er bestaat een spanning tussen de enorme focus op de lokale markt en het hebben van een aantal gespecialiseerde werkmaatschappijen. Het hebben van een ander kennisprofiel vereist een goede leiding. De communicatie tussen de onderdelen zijn we aan het verbeteren. De nieuwe structuur vereist dat mensen goed met elkaar moeten samenwerken.”

De nieuwe structuur van de Grontmij.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels