nieuws

‘Beroepenwedstrijden hebben positieve uitstraling op bouw’

bouwbreed

Marco van der Meer zit op zijn knieen en kijkt gespannen naar de werktekening die voor hem op de grond ligt. Met grote precisie past hij een stuk hout, schudt dan zijn hoofd. “Dit wordt een probleem”, constateert hij rustig. “Maar, ik los het wel op. Nou ja, dat denk ik tenminste.” Bij het NVOB-opleidingsbedrijf te Doetinchem worden deze week de Nationale Beroepenwedstrijden voor de bouw gehouden. Metselaars, timmerlieden en tegelzetters strijden om de eerste prijs. Drie winnaars komen in juni uit op de Internationale Beroepenwedstrijden in het Zwitserse Sankt Gallen.

Vorige week heeft Marco van der Meer geoefend, geoefend en nog eens geoefend. “Ik heb vier en een halve dag getraind. Eigenlijk valt dat nog wel mee”, zegt hij bescheiden. “Ik vind het leuk om mee te doen, maar slapeloze nachten heb ik er niet aan overgehouden.”

Dat is wel eens anders, weet A. Rooks, coordinator van het NVOB-opleidingsbedrijf te Doetinchem. “We hebben een leerling gehad, waarvan we op het eerste gezicht zeker wisten dat hij kampioen zou worden en uiteindelijk ging hij de mist in omdat hij de spanning niet aan kon.”

G. Brand, voorlichter van de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (SVB) : “Nu zijn ze nog rustig aan het bekijken hoe ze het het beste ke aanpakken, maar als er dadelijk een begint te werken, schrikken de anderen en beginnen ze allemaal. Ze willen stuk voor stuk op tijd klaar zijn.”

Timmerman Marco van der Meer doet zijn uiterste best zich te ontspannen.

“Ik probeer me niet al te druk te maken. Toen ik de tekening kreeg schrok ik wel even, maar we hadden drie kwartier om hem te bestuderen zodat ik de moeilijkste onderdelen nu wel ken”, zegt hij terwijl hij vanuit een ooghoek kijkt hoe het de andere deelnemers vergaat.

Wereldkampioenen

Aan de Nationale Beroepenwedstrijden doen 25 jongens mee: negen metselaars, negen timmerlui en zeven tegelzetters. De jongens zijn niet ouder dan 25 jaar en zijn in opleiding bij een samenwerkingsverband. Daarnaast werken ze bij een leerbedrijf. Uit elke beroepsgroep komt een winnaar naar voren. Deze vertegenwoordigt Nederland op de Internationale Beroepenwedstrijden te Sankt Gallen.

“Nederland doet het internationaal gezien niet slecht”, zegt SVB-voorlichter G. Brand. “Dat komt door ons opleidingssysteem van leren en werken, dat is uniek in de wereld.”

Niettemin kijkt hij met argusogen naar de vertegenwoordigers van Aziatische landen als Korea en Japan. “De beroepenwedstrijden zijn daar zo belangrijk dat de deelnemers al vanaf hun twaalfde jaar zijn getraind en dat werkt soms sterk in hun voordeel.”

De Nederlandse deelnemers moeten het met minder training doen, maar dat betekent niet automatisch dat ze minder hoog scoren. In de jury van de Nationale Beroepenwedstrijden zitten twee Nederlanders die goud wonnen, namelijk de metselaar Eric Damkort die in 1991 wereldkampioen werd en de timmerman Peter Domhof die in 1988 met de eer ging strijken.

Eric Damkort: “Het is een pittige wedstrijd. Iedereen wil winnen en het is moeilijk om het werkstuk binnen de gegeven tijd klaar te krijgen. De deelnemers leren dan ook van te voren om binnen een tijdslimiet te werken.”

Aannemers zijn over het algemeen bereid mee te werken aan de wedstrijden. Zo wordt bijvoorbeeld het materiaal waarmee de jongens aan de slag gaan, bij wijze van sponsoring geleverd.

“Iedere deelnemer moet met een bepaalde hoeveelheid materiaal het werkstuk maken. Dat stelt natuurlijk eisen aan het vakmanschap van die jongens, maar het stelt ook eisen aan het materiaal. Als bijvoorbeeld een balk een millimeter te kort is, dan kan het werkstuk daarop stuklopen. Ook bij bakstenen en tegels worden hoge eisen aan de kwaliteit van het materiaal gesteld en de leveranciers houden daar rekening mee”, aldus A. Rooks.

Positieve uitstraling

Dat de wedstrijden leven onder de aannemers blijkt niet alleen uit sponsoring. Zo zijn de werkgevers zonder uitzondering bereid de jongens vrijaf te geven voor deelname aan de wedstrijden en voor training. H. Kamps: “De kosten ke ze declareren, maar ze zijn die jongens wel voor een tijd kwijt.”

“Daar staat tegenover dat de beroepenwedstrijden een positieve uitstraling hebben op de bouw”, zegt G. Brand. “De lokale en ook de landelijke media besteden er aandacht aan en ook komen er veel mensen eens kijken. We doen ons uiterste best om de werkomstandigheden te verbeteren en zo ke we de mensen laten zien hoe mooi ons vak is.”

Oefenmateriaal

Als een van de jongens naar het toilet wil, drukt juryvoorzitter Kamps zijn stopwatch in en houdt in de gaten hoe lang de knaap wegblijft. “Ze hebben exact 22 uur de tijd om het werkstuk te maken”, zegt hij. “Als ze hun werk onderbreken bijvoorbeeld om naar de wc te gaan, dan noteer ik precies hoe lang ze wegblijven. De tijd dat ze weg zijn geweest, krijgen ze erbij, zodat ze allemaal exact dezelfde tijd hebben. Ze mogen maximaal een half uur wegblijven anders zijn ze gediskwalificeerd.”

De drie prijswinnaars worden tot aan de internationale wedstrijden extra getraind. De organisatoren beschikken daartoe over diverse werkstukken die vroeger zijn gebruikt.

H. Kamps: “Alle leden van de internationale jury moeten een werkstuk indienen en daarover wordt gestemd. Het werkstuk dat de meeste punten krijgt, wordt door de deelnemers uitgevoerd. De overigen vervallen, maar die gebruiken we als oefenmateriaal.”

Kamps betreurt het dat er betrekkelijk weinig tijd zit tussen de Nationale en de Internationale wedstrijden. “We ke ze maar vier of vijf weken trainen en eigenlijk zouden het een paar maanden moeten zijn. Toch scoren we hoog, zeker vergeleken met andere beroepssectoren die ook aan de wedstrijden meedoen. We zijn een paar keer wereldkampioen geworden en in 1993 wonnen we brons met timmeren. De internationale waardering voor onze manier van opleiden is groot. Kortom, we doen ’t goed.”

De deelnemers aan de beroepenwedstrijden zijn zeer geconcentreerd bezig en laten zich door niets of niemand afleiden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels