nieuws

Afgebroken onderhandelingen 1

bouwbreed

Een opdrachtgever en een aannemer voeren onderhandelingen over een te realiseren uitbreiding aan een hotel. De opdrachtgever breekt uiteindelijk de onderhandelingen af. In de daarop volgende gerechtelijke procedures komt onder andere de vraag aan de orde of de opdrachtgever schadeplichtig is jegens de aannemer wegens het ongeoorloofd (onrechtmatig) afbreken van onderhandelingen.

Het komt vaak voor dat partijen over een langere periode onderhandelingen voeren en er niet uitkomen. Uit bovenstaande blijkt dat het afbreken van onderhandelingen vervelende consequenties kan hebben. Tot hoe ver kan men gaan tijdens onderhandelingen zonder aansprakelijk te zijn voor door de wederpartij opgelopen schade?

Wat mag wel en wat mag niet in het “spel der onderhandeling” en welke maatstaven legt de rechter aan wanneer dat spel tot een schadevergoedingsplicht dreigt te leiden? Deze vraag zal hierna behandeld worden.

Precontractuele

Voordat bijvoorbeeld een (aannemings-)contract wordt gesloten treden eerst de partijen imet elkaar in onderhandeling. Er is sprake van onderhandelingen wanneer partijen zich tot elkaar richten met het oog op het afsluiten van een contract (zoals het doen van een aanbod, een uitnodiging daartoe of een uitnodiging tot het voeren van besprekingen). Deze fase wordt beheerst door de precontractuele goede trouw. De Hoge Raad heeft bepaald dat partijen die met elkaar in onderhandelingen treden, tot elkaar komen te staan in een bijzondere rechtsverhouding die meebrengt dat zij hun gedrag ook moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.

Het beginsel van de contractvrijheid brengt met zich mee dat partijen vrij zijn om te onderhandelen met wie men wil (positieve contractvrijheid) maar ook vrij zijn om onderhandelingen af te breken (negatieve contractvrijheid). Echter, de vrijheid om onderhandelingen op elk gewenst moment af te breken is aan beperkingen onderhevig vanwege de precontractuele goede trouw. Dit begrip is niet in de wet geregeld en daarom in jurisprudentie nader gevormd.

Wanneer is het afbreken van onderhandelingen niet geoorloofd in het licht van de precontractuele goede trouw?

De volgende drie criteria, zoals door rechters aangehouden, worden gesignaleerd.

1. Vertrouwenscriterium

In 1982 besliste de Hoge Raad dat het in strijd is met de precontractuele goede trouw, als onderhandelingen worden afgebroken terwijl partijen over en weer mochten vertrouwen dat de onderhandelingen tot een overeenkomst zou leiden. In een uitspraak uit 1985 werd duidelijk dat slechts het vertrouwen dat is gewekt bij de wederpartij van degene die de onderhandelingen heeft afgebroken bepalend is. De vraag die daarbij opkomt is uiteraard wanneer dergelijk vertrouwen ontstaat. Dat vertrouwen is af te meten aan het stadium van de onderhandelingen en de mate waarin reeds overeenstemming is bereikt. Overigens betekent dit niet dat bij aanwezigheid van totstandkomingsvertrouwen, de onderhandelingen nooit mogen worden afgebroken. Het totstandkomingsvertrouwen kan bijvoorbeeld worden doorkruist door gemaakte voorbehouden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de onderhandelingspartner het tot stand komen van de overeenkomst afhankelijk heeft gesteld van uitdrukkelijke goedkeuring van de Raad van Bestuur of een nader op te maken contract.

2.Andere omstandigheden van

het geval

Het komt ook voor dat specifieke omstandigheden er toe leiden dat afbreken van de onderhandelingen in strijd is met precontractuele goede trouw. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een dreigende staking bij cao-onderhandelingen. Maar ook bij wettelijke of contractuele voorkeursrechten kan men op grond van de precontractuele goede trouw gehouden zijn tot onderhandelingen.

3.Verplichting tot dooronderhandelen

Een derde reden om onderhandelingen niet af te breken is de verplichting tot dooronderhandelen die door de rechter is opgelegd.

Indien onderhandelingen worden afgebroken in strijd met de goede trouw is een van de mogelijkheden om dit te corrigeren een ‘verzoek aan de rechter tot dooronderhandelen’. Een procedure in kort geding is hiervoor de meest aangewezen weg omdat zo snel een uitspraak kan worden verkregen. De grondslag voor een bevel tot dooronderhandelen kan zijn gebaseerd op de goede trouw, een contractuele grondslag of onrechtmatige daad. De beslissing van de rechter om al of niet dooronderhandelen te bevelen is uiteraard gebonden aan de feiten en ook afhankelijk van de mate van gevorderdheid van de onderhandelingen, de voorafgaande relatie, en het onderhandelingsgedrag van partijen.

Casus uit de rechtspraktijk (ontleend aan een recente uitspraak):

Een hotelorganisatie en een aannemer voeren sinds 1991 onderhandelingen over een door de aannemer te realiseren uitbreiding van een hotel in Maastricht. De in een voorovereenkomst genoemde termijnen worden overschreden en partijen dreigen in een impasse te raken. De aannemer doet een geheel nieuw voorstel voor het realiseren van de uitbreiding. Partijen zijn het vervolgens, op de prijs na, met elkaar eens. Tijdens verdere onderhandelingen over de prijs maakt de hotelorganisatie een voorbehoud ten aanzien van de goedkeuring van de Engelse topholding van het hotelconcern. Deze goedkeuring wordt uiteindelijk in februari 1993 niet verkregen. Als de hotelorganisatie de onderhandelingen afbreekt, legt de aannemer conservatoir beslag, stellende dat zij schade heeft geleden doordat de hotelorganisatie de onderhandelingen ongeoorloofd heeft afgebroken. De hotelorganisatie vordert in kort geding opheffing van het beslag. Dat wordt door de President evenals door het Hof in hoger beroep afgewezen.

Bij de Hoge Raad komt een relevante klacht aan de orde. De Hoge Raad geeft aan dat gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van de overeenkomst niet onder alle omstandigheden behoeft te leiden tot de slotsom dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is. De Hoge Raad stelt dat rekening moet worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt, tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen, en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan.

Uit deze casus kan worden afgeleid dat in een fase waarin het partijen niet meer vrijstaat de onderhandelingen af te breken wegens gerechtvaardigd vertrouwen, ook rekening moet worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de partij die de onderhandelingen afbreekt.

In het volgende artikel zal onder andere worden ingegaan op aanspraak op schadevergoeding en wordt nog een praktijkvoorbeeld behandeld.

Dit artikel is geschreven door mr Chantalle P.A.Th. van Goethem en mr Gerlyn E. Staals, werkzaam bij Wouters Advocaten te respectievelijk Amsterdam en Eindhoven, geassocieerd met Arthur Andersen en Co., Belastingadviseurs. De auteurs maken deel uit van de Real Estate Services Group van Arthur Andersen en Co., Belastingadviseurs. Bij vragen zijn de auteurs te bereiken onder de telefoonnummers: 020 – 503 9797 en 040 – 244 72 60.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels