nieuws

Financiering van studies bouw blijft stroef lopen

bouwbreed

De bouwtechniek is in de afgelopen jaren flink vooruit gegaan. Niet in de laatste plaats omdat architect en aannemer meer dan vroeger samenwerken. Mede daardoor wint bijvoorbeeld glas aan belangstelling voor de constructies van gevels. De aanvraag van onderzoekgeld stuit echter evenals voorheen op niet onaanzienlijke problemen. De toelichting op een afwijzing meldt vaak dat de aanvraag te onduidelijk is gesteld. Het is evenwel diezelfde onduidelijkheid die de aanleiding voor het onderzoek vormde. Want zodra een onderwerp goed onder woorden is te brengen is een nadere studie niet meer nodig.

Prof. dr. ir. A. Eekhout legde op een bijeenkomst in Delft van de Onderzoekschool Bouw uit dat onder meer het gebruik van glas in gevelconstructies nog wel wat nadere studie verdient. Te denken valt aan de ontwikkeling van nieuwe draagconstructies en aan het uitvoeren van belastingsproeven waarmee bijvoorbeeld de oversterkte van glas is te bepalen. Het glas zelf valt ook te verbeteren. Mogelijkheden daarvoor bieden thermische voorspanning en kunststof lamineringen. De productiekosten van het materiaal moeten daarbij zoveel mogelijk onder de f. 200 per vierkante meter blijven. Meer op de toekomst gericht is het onderzoekpo Zappi. Dat moet uiteindelijk een nieuw transparant constructief belastbaar plaatmateriaal opleveren dat over een aanzienlijke sterkte, stijfheid en taaiheid beschikt. De toepassing van dergelijke materialen vergt een nauwere samenwerking tussen ontwerper en uitvoerder.

Sigarendoos

In een dergelijke gang van zaken past volgens Eekhout geen bierviltje meer waarop de architect een ontwerp schetst dat de aannemer vervolgens verder uitwerkt. Ook de sommen op de sigarendoos geven geen uitsluitsel meer over belangrijke kwesties als veiligheid, haalbaarheid of economie van constructies. Volgens prof.dr.ir. J. Walraven staan anekdotes over sigarendozen gelijk aan een onderschatting van moderne modellerings- en rekentechnieken. Betrouwbare modellen met het juiste abstractieniveau leveren snel inzicht in de mogelijkheden van nieuwe of verbeterde materialen. Modelleren van constructiegedrag is veelal fundamenteel onderzoek dat echter ook in de praktijk bruikbaar is. Temeer omdat de resultaten tot een revisie van bestaande modellen ke leiden. Te denken valt aan de rotatiecapaciteit van plastische scharnieren in gewapend beton.

Nader onderzoek vergroot volgens Walraven ook de kennis over het gebruik van hogesterktebeton voor de aanleg van tunnels in slappe grond. Vezels uit bijvoorbeeld polypropyleen ke het gebruikelijke wapeningstaal vervangen. Het blijft vooralsnog een vraag of hogesterktevezelbeton geschikt is voor extrusie. De vezels vergroten in elk geval wel de brandwerendheid van het beton. Nederland loopt momenteel voorop met het hogesterktevezelbeton. Temeer omdat de onderzoekers nauw samenwerken met de praktijk. Belangstelling daarvoor komt onder meer uit Duitsland waar dit materiaal tot op heden nog niet werd verwerkt. Nader onderzoek verdient ook de toepassing van zeer vloeibaar beton. In dit geval dient de aandacht zich te richten op de korrelpakking. Eerdere studies toonden aan dat de fasen waarin sprake is van succes of falen zeer dicht bij elkaar liggen.

WC-spoeling

Succes en falen liggen volgens ir. A. van Hal ook in het duurzame bouwen dicht bij elkaar. Een aantal maatregelen blijft echter in het experimentele stadium steken. Te denken valt aan het gebruik van regenwater voor de WC-spoeling of aan het gebruik van cellulose als isolatiemateriaal. Maatregelen die in Nederland nog als vooruitstrevend worden gezien zijn in het buitenland echter al dagelijkse praktijk. Zo is het in Duitsland uitermate moeilijk een bouwvergunning te krijgen voor een gebouw met een plat dak als dat dak niet van vegetatie wordt voorzien. Keukens in Oostenrijk beschikken niet zelden over voorzieningen voor de inzameling van acht soorten afval. Zwitserland gebruikt al sinds jaar en dag regenwater voor de WC-spoeling en bouwt ook al langer gescheiden rioolstelsels.

Van Hal wil in vijf jaar onderzoeken waarom in de verschillende buitenlanden de Nederlandse problemen met duurzame maatregelen uitblijven. In 2000 volgt daarvan een verslag dat de grootschalige toepassing van dergelijke maatregelen moet bevorderen. Het eerste deelonderzoek richt zich op de mate waarin de verschillende milieumaatregelen in Europa worden getroffen. VROM gebruikt de bevindingen voor de tweede Europese ministerconferentie over duurzame woningbouw die in september van dit jaar in Nederland plaats vindt. Het onderzoek omvat 24 Europese landen. Per land berichten zes tot vijftien respondenten over de stand van zaken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels