nieuws

Alarm in architectenbranche; crisis of stille sanering?

bouwbreed

In alle kranten heeft het gestaan, het sombere nieuws van de BNA: de helft van de architectenbureaus lijdt verlies. En de remedie: honorariumverhoging. Maar het werkelijk zorgwekkende nieuws bleef buiten beeld. Alarmerend is niet het verlies op zich, maar dat de branche al langere tijd een stille sanering doormaakt, tegen de trend van groei in de bouw in. Dreigt een ‘shake out’, zoals het Economisch en Sociaal Instituut van de Vrije Universiteit vreest?

De laatste grote crisis in de architectenbranche vond plaats in de jaren tachtig. In dat decennium ging een kwart van het personeelsbestand en bijna eenvijfde van het aantal architectenbureaus verloren. Sindsdien, vanaf midden jaren tachtig, laten CBS-cijfers een duidelijke kentering zien in de bouw. De bouwactiviteiten (in geld uitgedrukt) zijn tussen 1985 en 1996 bijna verdubbeld. Het herstel van de architectenbureaus ijlde daar achteraan. Maar opvallend is dat de aantallen werknemers en bureaus niet meer het oude niveau halen.

Het achterblijven van het aantal werknemers is verklaarbaar. Onmiskenbaar is veel meer dan vroeger sprake van het inschakelen van werknemers op tijdelijke basis. Naar schatting is nu tien procent van het personeel gedetacheerd of uitgezonden. Maar opmerkelijk is dat het aantal bureaus nu is gedaald tot een all time low. Volgens de laatste CBS-telling zijn er 1849 bureaus. Nog slechts vijftien jaar geleden was er nog sprake van een all time high van 2378 bureaus.

Stagnatie en verlies

Er is voldoende werk, er zijn steeds minder bureaus, je zou verwachten dat die dus draaien als een tierelier. Maar het tegendeel is het geval. Wie kijkt naar de cijfers die het Economisch en Sociaal Instituut van de Vrije Universiteit (ESI-VU) op een rij heeft gezet voor de BNA ziet stagnatie en discontinuiteit (1).

ù De gemiddelde productiviteit (2) stagneert. Ten opzichte van 1993 groeide de productiviteit van alle bureaus weliswaar in 1994, maar daalde in 1995 nog harder. Significant detail: de grootste bureaus zijn ruim een kwart productiever dan de kleinste.

ù De kosten, voor driekwart personeelskosten, zijn in die jaren licht gestegen. Gerekend per werknemer maken de grotere bureaus gemiddeld meer kosten dan de kleinere. Dat is verklaarbaar: hoe groter, des te meer management en overhead nodig is om alles in goede banen te leiden.

ù Het gemiddelde exploitatieresultaat (3) van de branche blijkt tussen 1993 en 1995 gehalveerd te zijn tot 4,8%. Achter dit gemiddelde gaat een groot aantal verlieslijdende bureaus schuil. Al drie jaar lang blijkt ongeveer de helft van de branche verlies te lijden! Het zijn de middelgrote bureaus (zeven tot vijftien werkzame personen) die het best presteren. Dat komt overeen met het beeld bij andere dienstverleners; blijkbaar is deze omvang, die nog door een man is te overzien, het meest efficient. Toch lijdt van deze best presterende categorie nog eenderde verlies. De grote verschillen in winst en verlies door alle categorieen en jaren heen wijzen overigens op een heftig gevoelde discontinuiteit in het werk.

Productiviteit

Om de oorzaak van deze penibele situatie op het spoor te komen is een gedetailleerder onderzoek nodig van bovengenoemde cijfers van productiviteit, kosten en exploitatie.

Volgens ESI-VU is de productiviteit vergeleken met andere dienstverleners te laag. Realiseren architecten gemiddeld ruim f. 130.000 netto omzet per persoon (met uitschieters van f. 90.000 tot f. 136.000), de ingenieursbureaus, makelaars en belastingadviseurs zitten daar ver boven met zo’n f. 160.000. De onderzoekers wijzen erop, in koor met hun opdrachtgevers de BNA, dat daarom het honorarium moet worden verhoogd. Rechtvaardiging is dat het werk in korte tijd ongeveer tien procent is toegenomen door Bouwbesluit, Bouwprocesbesluit en Energie PrestatieNorm. De door de BNA doorgevoerde honorariumverhoging van vijf procent moet dat meerwerk compenseren.

Honorariumverhoging is allicht de simpelste manier om de productiviteit te verhogen. De opgegeven reden is niet ongegrond. Maar het is niet het hele verhaal. De honorariumregeling van de BNA is slechts een richtlijn. Die kun je naar hartelust verhogen, maar de cruciale vraag is of het honorarium in de praktijk kan worden gerealiseerd. Tot nu toe zijn architecten niet in staat geweest duidelijk te maken wat voor werk ze allemaal moeten verrichten en welk prijskaartje daarbij hoort. Al is de nieuwe richtlijn gedetailleerder, er is geen garantie dat in de onderhandelingen er automatisch een hoger honorarium uitrolt.

Kosten

De slechte resultaten worden volgens de onderzoekers niet veroorzaakt door te hoge kosten. Die zijn bescheiden, zeker ook gezien het gemiddeld hoge opleidingsniveau van het personeel. Dat klinkt positief, maar er gaat enige malaise achter verscholen. Als ongezond aspect van de beperkte kosten signaleren de onderzoekers dat er wordt beknibbeld op kosten van automatisering en promotie. Uitstel van noodzakelijke vernieuwing en acquisitie leidt op den duur tot marginalisering.

Wat betreft de personeelskosten is een bedenkelijk aspect dat – al is deze eigen waarneming niet met cijfers te staven – al langere tijd een verdringing gaande is: steeds vaker doen architecten het werk dat vroeger hts’er deden. Dus personeel dat hoger is opgeleid, krijgt relatief minder uitbetaald. Dat de branche inteert op salarissen is ongezond; op den duur zullen talenten uitwijken naar andere branches.

De verdringing duidt erop, net als het onder druk staande honorarium, dat er een overaanbod aan architecten is. Omdat het aantal bureaus en medewerkers historisch gezien laag is, zou de conclusie moeten zijn dat er voor architecten blijkbaar heel wat minder werk aan de winkel is, al zijn het tijden van voorspoed in de bouw.

Discontinuiteit

Nadere analyse van de verliezen leert dat discontinuiteit de branche parten speelt. Het is hollen of stilstaan. Opvallend zijn de grote uitschieters van winst en verlies, zowel door de jaren heen, als bij de verschillende categorieen bureaus.

Alleen de grote bureaus ke zich enigszins onttrekken aan deze discontinuiteit, wat echter geen garantie tegen verlies is. In 1995 leed bijna 29% van de bureaus met meer dan vijftien werkzame personen verlies. In 1993 was dat nog ‘slechts’ 19%. Bij de kleinste bureaus (minder dan drie werkzame personen) was de ontwikkeling omgekeerd: in 1993 leed bijna 70% (!) verlies, in 1995 was dat ruim 56%.

Bij deze verdeling van cijfers naar grote en kleine bureaus is het goed te bedenken dat nog geen tien procent van de bureaus meer dan vijftien werkzame personen omvat. Echt groot (vijftig personen en meer) is ongeveer een procent. De helft van de architectenbureaus bestaat uit een persoon.

Verlies aan taken

Verlies lijden betekent voor de kleinere bureaus dat de directeur/eigenaar – en vaak enige werknemer – genoegen moet nemen met een salaris (ver) onder zijn niveau. Erger dan deze armoe is, uit oogpunt van de ontwikkeling van de branche, dat bij deze magere exploitatieresultaten investeringen geheel uitblijven en er ook geen buffer kan worden gevormd voor slechte tijden. Als dat in deze goede tijden al niet lukt, dan laat zich raden welke crisis er wacht als de bouw een dal ingaat.

Op zoek naar redenen waarom zelfs in een groeimarkt minder werk aan de winkel is, moeten twee onderzoeken van het Economisch Instituut Bouwnijverheid (EIB) in herinnering worden gebracht (4). Het EIB heeft vorig jaar en in 1990 gekeken welke taken architecten uitvoeren. Het goede nieuws is dat architecten in die tijd even sterk zijn gebleven op de markt voor ontwerpdiensten. Het slechte nieuws is dat ze in die vijf jaar terrein hebben verloren wat betreft pocoordinatie, kostenbewaking en controle op de voortgang van het werk. In de jaren tachtig hadden ze ook al terrein verloren wat betreft bestek, begroting, aanbesteding en het maken van werktekeningen. Dat ze op die gebieden nu niet meer zijn kwijtgeraakt is een schrale troost.

Concurrenten zijn de kostenadviseurs en bouwmanagementbureaus. Maar volgens het ESI-VU onderzoek noemen architecten allereerst elkaar als concurrenten. En de concurrentie neemt toe, signaleert het EIB.

Het beeld is echter niet gelijkmatig in mineur; de verschillen in productiviteit en winst en verlies zijn extreem. Er zijn ook bureaus, groot en klein, die de wind in de zeilen weten te houden. Daarom loont het nader naar de verschillende types bureau te kijken.

Herverkaveling

Er is er niet een helder recept voor succes. Architecten zullen volgens de basale regels van marketing hun vijf ‘P’s’ moeten onderzoeken. Hoe ke ze hun prijsvorming verbeteren; gedetailleerder, inzichtelijker en acceptabeler maken voor hun opdrachtgevers? In welke plaats/regio/klantenkring ke ze het beste opereren? Welk product, welke dienstverlening is daar hun kracht? Hoe profileren ze zich het meest adequaat in promotie en acquisitie, bijvoorbeeld om op voorkeurslijstjes van gemeentes te komen? En vooral: wat is hun persoonlijke kracht en zwakte en die van hun personeel?

Er zijn succesvolle architecten die zich puur op het ontwerpwerk concentreren en de rest gaarne aan bouwmanagers overlaten. Of die, als reactie op de complexe regelgeving, allianties aangaan met facilitaire bureaus of collega’s om flexibel in te ke spelen op incidentele grote opdrachten. Er zijn bureaus die zich breed en sterk maken. Met al die verschillende recepten is onmiskenbaar een herverkaveling van het architectenlandschap gaande. Gezien de stilletjes teruglopende cijfers mag het zelfs wellicht een stille sanering worden genoemd. In die omstandigheden is flexibiliteit een eerste vereiste voor architecten; men moet het oude product en ‘eigen gelijk’ los ke laten om nieuwe allianties aan te gaan.

Voor de professionele opdrachtgever is de malaise onder architecten overigens geen reden tot juichen. De problemen zullen des te groter zijn naarmate de branche structureel verzwakt de huidige hoogconjunctuur uitkomt, laat staan ten onder gaat in een crisis. De expertise die dan verloren gaat, is niet snel weer op te bouwen. En hoe je ook denkt over het belang van architecten, iemand moet toch het ontwerp maken. Opdrachtgevers zijn beter af als die iemand expertise en ervaring heeft en van veel markten thuis is, in plaats van gemarginaliseerd.

TOM MAAS

Bronnen: ESI, CBS, BNA

(1) Dr. E Masurel, drs. M. Blok: ‘De bedrijfseconomische ontwikkeling van architectenbureaus in de eerste helft van de jaren negentig’. (ESI-VU, 1996)

Dit onderzoek waarin 1993, 1994 en 1995 worden vergeleken is verkrijgbaar bij de BNA en gebaseerd op een jaarlijkse enquete onder BNA-leden. De gegevens zijn getoetst op representativiteit voor de hele branche.

(2) Productiviteit: netto omzet (bruto omzet minus uitbesteed werk) gedeeld door het aantal werkzame personen.

(3) Exploitatieresultaat: netto omzet minus totale kosten, uitgedrukt als percentage van de netto omzet.

(4) Drs. E. Lourens: ‘Architect, bouwproces en bouwtechniek’ (EIB, 1996).

Hoewel de bouwproductie sinds de crisis begin jaren tachtig bijna is verdubbeld … … is het aantal architectenbureaus nu lager dan ooit … … en stagneert ook de omvang van het personeelsbestand.

Het beperkte aantal bureaus dat is overgebleven draait niet bijzonder goed. De arbeidsproductiviteit blijft achter vergeleken bij andere dienstverleners.

Hoe groter het bureau, hoe hoger de productiviteit, maar ook hoe hoger de kosten.

De middelgrote bureaus bereiken nog het beste evenwicht tussen kosten en productiviteit. Maar het gemiddeld rendement van de branche is laag, en het percentage verliesgevende bureaus is in alle grootte-categorieen hoog, zeker gezien de gunstige conjunctuur in de bouw.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels