nieuws

Negatieve geschiktheidseis

bouwbreed

Het Uniform Aanbestedingsreglement (UAR 1986) bepaalt dat de eisen die in het bestek of de bekendmaking aan de inschrijvers op een werk worden gesteld, objectief en eenduidig dienen te zijn. Bovendien moeten deze eisen in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van het werk.

Het provinciaal bestuur van Gelderland dacht dat het in de lijn van die bepaling handelde toen het in de publicatie van een openbare aanbesteding meedeelde, dat inschrijvingen van hen die in het verleden een werk voor de provincie niet op regelmatige wijze hadden uitgevoerd, geweigerd zouden worden. Een negatieve geschiktheidseis dus.

Kon de provincie op die manier op voorhand al gegadigden voor het werk uitsluiten en deed het daarbij niet afbreuk aan het openbare karakter van de aanbesteding?

Die vraag beantwoordde de Raad van Arbitrage helaas niet nadat de inschrijving van een aannemer terzijde werd gelegd. De provincie vond dat hij niet in staat was het werk vakkundig en regelmatig uit te voeren. De aannemer pikte dat niet en vroeg aan de raad een verbod om het werk aan een ander te gunnen.

Niet het feit, dat bij voorbaat al gegadigden van het werk werden uitgesloten was echter voor de scheidslieden het beslissende argument om de eis van de aannemer in te willigen. Niet dus het negatieve karakter van de geschiktheidseis, maar het niet voldoen aan de UAR-bepaling dat zo’n eis objectief en eenduidig moet zijn leidde tot hun vonnis. Dat hield dus een verbod in aan de aanbestedende provincie om het werk aan een ander te gunnen. Dat was wel zuur voor de dienst Wegen, Verkeer en Vervoer van Gelderland, want die vond deze aannemer helemaal niet geschikt voor het werk.

Om dat aan de arbiters aan te tonen noemde die dienst een viertal door deze aannemer uitgevoerde werken. Het eerste was te laat opgeleverd, bij het tweede had hij bermmaaisel op de fietspaden laten liggen en bij weer een ander had hij een CAI-bekabeling stukgetrokken. De laatste klacht ging over de beschadiging van vijftien paaltjes, waarvoor de provincie door de eigenaar was aangesproken.

De provincie had haar standpunt over die claim nog niet bepaald, zo bleek de raad. Van het feit, dat bij de oplevering van datzelfde werk nog een aantal werkzaamheden verricht moest worden, was de raad niet ondersteboven, net zo min als van alle andere foutjes.

De laatste werkzaamheden betroffen normaal narooiwerk, het kabelincident kwalificeerde zij als niet uitzonderlijk of abnormaal. De te late oplevering leek nog het ernstigste verwijt aan de aannemer want dat ging over bijna zeven maanden. Maar toen de raad eens naging hoe het daarmee zat, kwam een aantal plausibele verklaringen voor die vertraging aan het licht. In de eerste plaats waren de weersomstandigheden daarvan de oorzaak en bovendien had de provincie de aannemer in al die maanden nooit ingebreke gesteld.

En als je een termijnverlenging toestaat moet je natuurlijk als aanbesteder zo veel heibel maken over het feit dat het werk een dag te laat is opgeleverd. Het waren inderdaad allemaal pietluttigheden, die de opsteller van de bekendmaking met zijn negatieve geschiktheidseis aanvoerde om deze aannemer het werk niet te hoeven gunnen.

De ambtenaar, die de aanbesteding hield, had trouwens de UAR 1986 slecht gelezen. In artikel 21 daarvan staat duidelijk wat hij moet doen en ook wat hij moet laten. Toch nam hij in het proces-verbaal op dat de inschrijving van de aannemer ongeldig was. Had hij het vierde lid van dat artikel over het hoofd gezien? Daar staat toch duidelijk dat hij geen uitspraak mag doen over de (on)geldigheid van de inschrijvingsbiljetten.

De arbiters hadden daarom het door de aannemer bij hen aangebrachte geschil kunnen aanhouden totdat de provincie een uitspraak had gedaan over de geldigheid van deze inschrijving. Daarna had de aannemer dan schriftelijk kunnen vragen naar haar beweegredenen als de provincie zijn inschrijving ook ongeldig had verklaard. Hij had die motieven al op de zitting gehoord en dus zou het volgen van zo’n procedure onnodig veel tijd hebben gevergd.

De provincie bleef halsstarrig en hield vol dat deze aannemer gepasseerd moest worden. De raad wees er daarom op dat een inschrijver alleen op objectieve en zwaarwegende gronden kan worden geweigerd. De kleinigheden waar de provincie mee kwam waren dat allerminst. Kleine irritaties en wrijvingen doen zich bij elk werk wel eens voor en de oorzaak daarvan ligt vaak bij beide partijen.

Dat is geen reden om een aannemer, waarmee wrijvingen zijn geweest, al bij voorbaat uit te sluiten van een aanbesteding. Alleen als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een inschrijver redelijkerwijs niet in staat is om het werk vakkundig en op regelmatige manier uit te voeren, kan dat.

Aanbesteders moeten dan ook niet hun rancunes ventileren in negatieve geschiktheidseisen om, hen onwelgevallige, inschrijvers buiten de deur te houden. Niet alleen is dat niet netjes, zij lopen ook de kans dat de raad in een volgend geval zo’n negatieve eis in strijd vindt met het karakter van een openbare inschrijving.

En… altijd even dat aanbestedingsreglement lezen voordat de inschrijvingsbiljetten worden geopend, meneer van de dienst W.V.en V.!

(BR 1997 p.970)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels