nieuws

Gang van zaken in Oostblok normaliseert

bouwbreed Premium

Een blijvende groei die nog steeds toeneemt, kenmerkt de gang van zaken in het midden en oosten van Europa. Tijdelijke tegenslagen beletten niet dat deze regio normaliseert. De Europese Unie en het vroegere Oostblok werken in economisch opzicht intensiever samen. Hetzelfde geldt voor de bedrijven die geavanceerder activiteiten in Midden- en Oost-Europa opzetten. Daarmee stijgt ook de concurrentie uit deze regio, menen VNO en NCW in de ‘Nota Midden en Oost-Europa’.

Oost-Europese landen met een zogeheten Europa-akkoord kunnen, op een enkele uitzondering na, vrij exporteren naar de Europese Unie. Dat lukt niet altijd even goed. De oorzaak daarvan ligt veelal in structurele problemen in de landen van Midden- en Oost-Europa. Daardoor voldoen producten bijvoorbeeld niet aan de technische eisen van de EU. Importeurs van waren uit de betrokken landen doen er dan ook goed aan de fabrikant te laten produceren aan de hand van de EU-eisen.

Juist omdat de markttoegang in beginsel vrij is, hechten Nederlandse ondernemingen eraan, dat de EU handelspolitieke instrumenten blijft gebruiken in de omgang met Midden- en Oost-Europa. Andersom voeren deze landen ad-hoc allerlei beperkende maatregelen in, terwijl internationale regels slechts moeizaam verwerking vinden in de eigen regels. Ook de landsgrenzen leveren nog steeds problemen op. De regionale initiatieven voor vrijhandel in het vroegere Oostblok bepalen mede de bereidheid tot investeren van buitenlandse bedrijven.

Willen de economische veranderingen in het midden en oosten van Europa een praktisch beslag krijgen, dan moet het westen die wijzigingen steunen. Dat vereist multilaterale coordinatie, en die verdient meer aandacht dan tot nu toe werd opgebracht. Verder moet de politiek de belangstelling voor multilaterale financiele instellingen hernieuwen. Ondernemers menen vaak dat internationale organisaties nogal traag werken en hun programma’s niet sluitend maken. Nederland zou zich meer inspanning moeten getroosten om de betrokkenheid van ondernemingen te vergroten bij projecten van de Internationale Financiele Instellingen (IFI’s). Parallelle co-financiering biedt daartoe een mogelijkheid. Verder kan de overheid regelmatig sectormissies naar de IFI’s kunnen sturen.

Steun

Nederland kan het vroegere Oostblok goed helpen met het Programma Oost Europa (PSO). Voor de verst gevorderde landen wil de overheid deze steun afschaffen, maar ook zij hebben er nog steeds behoefte aan. Te denken valt aan de verbetering van instituten die de Oost-Europese bedrijven van dienst zijn.

De maatregelen houden veelal verband met kapitaalgoederen en beduidend minder met bijvoorbeeld arbeidsintensieve bedrijven uit de dienstensector. Het geld dat het ministerie van ontwikkelingssamenwerking voor het midden en oosten van Europa uittrekt, zou gebonden moeten worden besteed.

Ook voor het Programma Uitzending Managers blijft er nog veel te doen in de regio. Hier gaat de aandacht vooral uit naar Polen, Hongarije en Tsjechie. In deze landen is meer bemiddeling nodig tussen bedrijven die investeerders zoeken en westerse gegadigden. Vooralsnog rijdt de versnippering van de exportbevordering de potentiele exporteurs in de wielen.

Reageer op dit artikel