nieuws

De boeren-knechtenkist

bouwbreed Premium

Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bestaat uit twee delen. Er is het binnenmuseum en het buitenmuseum. Dit laatste is een klein dorp, bestaande uit woningen en andere gebouwen die afkomstig zijn uit plaatsen aan de oorspronkelijke Zuiderzee. Een bezoek aan dit dorp is een attractie.

Je kunt zien hoe er honderd jaar gelegen werd gebouwd. Hoe mensen leefden, maar vooral ook welke veranderingen zich in een mensenleven hebben voltrokken. Voor mezelf begint de attractie al bij het begin, de kalkovens, waarin de schelpen gebrand werden. Familieleden van mij werkten hier.

Minstens zo interessant zijn de huisjes. Huisjes die nog niet voldoende ruimte bieden om de hedendaagse alleenwoner naar genoegen te huisvesten. Het is nog maar vijftig jaar geleden, dat deze woonruimte 10 of meer personen herbergde. Dat was ook het geval bij mijn opa en opoe. Met z’n twaalven op nog geen 50 m2. Als je de relatie tussen de bouwproductie en de welvaartsontwikkeling goed tot je wilt laten doordringen, kan een bezoek aan het Zuiderzeemuseum geen kwaad.

Waarom ik aan het voorgaande moest denken, had eigenlijk een andere oorzaak. Dat was de flexibiliteit in arbeidsrelaties. Bij mijn opoe stond in de boet, waarin op petroleumstellen gekookt werd, een kist. Op de kist was in sierlijke letters de naam van mijn opa, mijn naamgenoot, geschilderd. Pas veel later kwam ik erachter, dat dit een boerenknechtenkist was. Tot ver in deze eeuw was het gebruikelijk dat jongens – vanaf twaalf jaar – voor de duur van een jaar in dienst kwamen van een boer. Voor dag en nacht. De kist bevatte de persoonlijke bezittingen. Jaarlijks, op 2 februari – voor niet-katholieken: Maria Lichtmis – werd het contract verlengd of werd verkast naar een andere boer. Voor meisjes in dezelfde leeftijd golden overeenkomstige omstandigheden. Veelal gericht op het werk in de huishouding.

In de stad ging het natuurlijk wat anders dan op het platteland. Voorts waren er nogal wat beroepen die de vastigheid van het hele jaar werk niet kenden. Over de beloning zal ik het verder niet hebben. Beroepen met minder vastigheid – werkzekerheid zeggen we nu – waren er in het bijzonder in het bouwvak. Er was een heel leger mensen, dat van hot naar haar trok. Werknemers in de gww waren toen polderjongens die met het werk meetrokken. Schop en kruiwagen waren de technische hulpmiddelen. Tegenwoordig werk je aan de infrastructuur.

Flexibiliteit en onzekerheid was het motto waarmee de arbeidsverhoudingen in het verleden kunnen worden gekarakteriseerd. In een lange reeks van jaren werd de onzekerheid vervangen door zekerheid. Organisaties van werknemers en werkgevers legden dit vast in een duimdikke cao. De flexibiliteit werd sterk ingeperkt. Niet in de laatste plaats, omdat naast de cao ook nog vele duimen dik wetgeving werd gerealiseerd.

Uiteindelijk heeft dit geleid tot de nota ‘Flexibiliteit en zekerheid’. Het kabinet wil meer soepelheid op de arbeidsmarkt. Niet onmiddellijk de onzekerheid van de baan bij de kalkovens, niet meer de twaalfjarige met de boerenknechtenkist, maar wel de flex-arbeider. Eventueel in de gedaante van een uitzendkracht. Daar is niet veel tegen in te brengen.

Toch blijft de vraag, waarom de dikker wordende wetboeken en cao’s, de welvaart de huisjes in het Zuiderzeemuseum een curiosum deden worden. Komt dat door de globalisering? Aan mijn opa kan ik het niet meer vragen.

Reageer op dit artikel