nieuws

Plagiaat is een kwestie van details

bouwbreed

Namaak is verboden. Dat is wettelijk geregeld met octrooien, patenten en auteursrecht. De uitvinder of bedenker moet immers zelf de vruchten kunnen plukken van zijn originaliteit. Dat geldt ook voor architectuur. Maar wat is daar de grens tussen plagiaat of niet? Sinds kort is daar duidelijkheid over. Rechtbank en gerechtshof zijn het met elkaar eens: van plagiaat is pas sprake als de namaak tot in de details gaat.

Plagiaat is de volkse uitdrukking voor wat de auteurswet omschrijft als “ongewenste verveelvoudiging”. Zoals in alle takken van nijverheid en kunst komt dat ook in de architectuur voor. Maar de grenzen zijn onduidelijk, omdat architecten elkaar vrijwel nooit daarvoor voor de rechter slepen. Toen begin vorig jaar een Engelse architect dat de beroemde Rem Koolhaas aandeed, veroorzaakte die actie dan ook een golf van publiciteit.

Die zaak was indertijd aanleiding om stil te staan bij de vraag in hoeverre originaliteit bestaat binnen architectuur (Cobouw 1/5/1996: “Hoe origineel kan een architect zijn?”). Het vak bestaat bij de gratie van traditie, dat wil zeggen navolging en variatie op overgeleverde thema’s. Eigenlijk is het een relatief recent verschijnsel, dat originaliteit zo belangrijk wordt gevonden. In het blad van de Bond van Nederlandse Architecten (BladNA) meende Piet Vollaard destijds dat architecten al eeuwen lang elkaars werk recyclen, dus dat originaliteit helemaal niet bestaat. Hij redeneerde consequent door dat dus ook plagiaat niet kan bestaan. Wat zou betekenen dat de auteurswet wat dit betreft een dode letter is.

De vraag is natuurlijk of de rechter daar ook zo over denkt. Veel helderheid daarover is niet te verwachten in de zaak Koolhaas. Zijn belager is een schimmige figuur die weinig prijsgeeft van zijn materiaal. Zijn (niet gebouwde) ontwerp bevat enkele onderdelen (zoals een hellingbaan) die overeen zouden komen met de Koolhaas’ Kunsthal, maar net zoveel afwijkende elementen en zijn gebouw was ook voor een andere functie bedoeld – veel concreter dan dat is het niet.

Het was, kortom, een onwaarschijnlijke aanklacht, die de Engelse rechter dan ook niet ontvankelijk verklaarde. De Engelsman is inmiddels in beroep gegaan tegen die beslissing; dat is lastig voor Koolhaas maar voorlopig maakt dat ons dus niet wijzer over plagiaat.

Eerste uitspraak

Een buitenkans om te zien hoe rechters oordelen deed zich eind 1996 voor. Toen raakte de Utrechtse architect Jaco de Visser slaags met zijn Veenendaalse collega’s Van den Dikkenberg en Bons over het ontwerp van een complex kantoorvilla’s.

De Visser en zijn opdrachtgever betichtten Van den Dikkenberg en Bons in de krant van plagiaat. Deze laatsten waren daar woedend over en stapten naar de rechter; zij vroegen een verbod op dat soort beschuldigingen. Dat verloren zij. Die rechter zag zoveel gelijkenis tussen de ontwerpen dat hij niet op voorhand de vrijheid van meningsuiting wilde beknotten. Maar een daaropvolgend kort geding dat De Visser aanspande tegen zijn Veenendaalse collega’s, om het vermeende plagiaat veroordeeld te krijgen, wonnen de Veenendalers. En ook het hoger beroep dat De Visser aantekende wonnen zij kortgeleden.

Wat deze zaak zo interessant maakt is dat hij zich afspeelt op het scherp van de snede. De gelijkenis tussen de plannen is opvallend. Het gaat om gebouwen met dezelfde functie, een vergelijkbare stedenbouwkundige opzet en gelijke typologie. Natuurlijk zijn er ook verschillen tussen het gerealiseerde Palazzo d’Ufficio van De Visser en de nog te bouwen Gildenhof van Van den Dikkenberg en Bons. Bij uitstek dus de kans voor een rechter om duidelijk te maken waar de grenzen liggen – of overeenkomsten op hoofdlijnen zwaarder wegen dan verschillen in details. Hier zou voor het eerst in de Nederlandse architectuur duidelijk worden of de auteurswet wat plagiaat betreft een dode letter is of niet.

Naar details kijken

Zowel de Utrechtse rechtbank in kort geding als het Amsterdamse gerechtshof in hoger beroep hebben een duidelijke keuze gemaakt: omdat de auteurswet algemeen bekende stijlen en typologieen niet beschermt – niemand mag zich geestelijk vader noemen van de nog veel figurerende klassieke zuil – moet je niet naar die grote lijnen kijken maar naar de manier waarop, in detail, de ontwerpen zijn uitgewerkt.

Dus als een kantoorgebouw lijkt op een villa, zo’n zelfstandig blokje met diverse kenmerkende elementen, zoals een centrale entree en Franse balkonnetjes, is dat niet een beschermd idee. Van den Dikkenberg en Bons mogen die elementen gebruiken, net zo goed als De Visser ze heeft gebruikt.

“Vooropgesteld moet worden dat al die elementen, die ontleend zijn aan de vorm en het uiterlijk van de villa geen inbreuk op het auteursrecht van De Visser kunnen vormen”, aldus een cruciale zinsnede uit het vonnis van de Utrechtse rechter. “Dit geldt met name voor de indeling (plattegrond) en de plaats van de trap, maar ook voor de Franse balkons en de plaats van de ingang.”

Bij het hoger beroep heeft het gerechtshof in Amsterdam expliciet deze beoordelingsmethode goedgekeurd. “De president heeft – gelijk haar ook te doen stond – bij de beoordeling van de totaalindrukken van de respectieve kantoorvilla’s geabstraheerd van die elementen die auteursrechtelijk niet beschermd zijn”. Dus terecht heeft zij “het idee om voor het ontwerp van een kantoorgebouw aansluiting te zoeken bij de vorm en het uiterlijk van de (stads)villa aangemerkt als een niet-beschermd element”.

Het is daarvan de consequentie dat “de plaats van de trap, de (aanwezigheid van) Franse balkons en de plaats van de ingang geen inbreuk op het auteursrecht van De Visser kunnen vormen, omdat deze elementen (alle) zijn ontleend aan de vorm en het uiterlijk van de villa”.

Wat volgens zowel rechtbank als hof wel onder de bescherming van het auteursrecht valt, is de manier waarop die elementen zijn uitgewerkt. Bij vergelijking van de twee ontwerpen constateren zij dan verschillen die groot genoeg zijn om niet van plagiaat te spreken. Kijk maar naar de uitwerking in vorm en kleur van bijvoorbeeld de Franse balkons en luifels.

Aftrekmethode

Op de uitspraak van de Utrechtse rechter ben ik begin dit jaar uitvoerig ingegaan onder de kop “Als dit geen plagiaat is, wat dan wel?!” (Cobouw 23/4/1997). Ik vond dat geen recht was gedaan aan het typisch architectonische, dat in een ontwerp deel en geheel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het heeft geen zin Franse balkonnetjes te beoordelen op zich, met de grote kans dat die altijd wel een beetje zullen verschillen. Je moet ze zien in hun context. Dan zou je bijvoorbeeld kunnen constateren dat zo’n balkonnetje aan een woonhuis niet kenmerkend is, maar aan een kantoor toch al veel origineler.

Daarover zijn in het proces twee deskundigen op het gebied van auteursrecht elkaar in de haren gevlogen. Prof. Quaedvlieg betoogde dat louter de combinatie van deze elementen nog niet leidt tot werk met een persoonlijk stempel. Je moet toch ook kijken naar de uitwerking en dan zijn de verschillen groot. Prof. Verkade hekelde dat Quaedvlieg zich daarmee bezondigt aan de ‘aftrekmethode’, door namelijk toch weer naar onderdelen op zich te kijken.

Ondubbelzinnig hebben echter zowel rechtbank als hof die ‘aftrekmethode’ gehonoreerd. Hoewel bij deze uitspraken als slag om de arm moet worden gehouden, dat ze specifiek zijn voor deze ene kwestie, is daarmee toch duidelijk een teneur gezet. Omdat stijlen en typologieen, zeg maar de grote lijnen, niet vallen onder de bescherming van het auteursrecht, zal het meestal een kwestie zijn van details – hoe namelijk die grote lijnen zijn uitgewerkt. Wat nog overeenkomt als je de grote lijnen van een ontwerp aftrekt (‘abstraheert’), dat is plagiaat.

Bodemprocedure

De Visser heeft ervan afgezien tegen deze uitspraken van rechtbank en hof in cassatie te gaan. Wat echter nog loopt is een bodemprocedure die Van den Dikkenberg en Bons hebben aangespannen, toen zij hun zaak in eerste instantie verloren. Door het gelijk dat zij nu hebben gekregen, voelen zij zich gesterkt door te gaan om ook voor schadevergoeding in aanmerking te komen. Zij achten de kans gering dat de rechter nu ineens tot een andere afweging inzake het auteursrecht zou komen.

Over plagiaat bestaat nu dus meer duidelijkheid. Maar het was een omslachtige en kostbare weg, constateren de Veenendaalse architecten. En niet elke opdrachtgever zal, zoals in hun zaak projectontwikkelaar Koopmans, het geduld opbrengen om het eindpunt van die lange weg af te wachten. Voorlopig zullen deze gerechtelijke uitspraken dus wel de enige grenspalen zijn tussen wat plagiaat is en niet.

In grote lijnen lijken de plannen van De Visser (rechts) en Van den Dikkenberg en Bons (links) op elkaar. Maar, oordeelden zowel de rechtbank in Utrecht als in hoger beroep het gerechtshof in Amsterdam, die lijnen zijn zo algemeen bekend als stijl en als type dat ze niet auteursrechtelijk beschermd zijn. Van plagiaat hierbij kan dus geen sprake zijn.

Het gaat om de manier waarop die grote lijnen zijn uitgewerkt, daaruit moet een persoonlijk stempel spreken. Dus moet je ook kijken naar de details. Dan blijkt dat bijvoorbeeld dakrand en detaillering van de gevel verschillend zijn, dat het idee van het Franse balkon anders is uitgewerkt, wat ook geldt voor de entree met luifel. Dus geen plagiaat, aldus de gerechtelijke uitspraak.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels