nieuws

‘Haal rechter af van stoel bestuurder’

bouwbreed

De rechter moet drastisch worden beperkt in zijn mogelijkheden bestuurlijke besluiten inhoudelijk te toetsen. Nu gaat de rechter te vaak op de stoel van de bestuurders zitten. Deze juridisering van het openbaar bestuur is velen al jaren een doorn in het oog, al was het maar omdat uitvoering van besluiten daardoor jaren vertraagd kan worden.

Bestuurlijk handelen worden steeds meer onderworpen aan het oordeel van de rechter. Beroep op bijvoorbeeld besluiten over infrastructuur kan niet alleen worden ingesteld door direct belanghebbenden, maar ook door organisaties die op principiele gronden van mening verschillen met het bestuur.

De rechter oordeelt vervolgens niet alleen op basis van rechtsregelen en wetten, maar ook op basis van ongeschreven regels, de beginselen van behoorlijk bestuur. Die geven de rechter de mogelijkheid een eigen rechterlijk beleid te voeren: besturen in geding. Daardoor kan hij ook inhoudelijk naar besluiten kijken en zich erover uitspreken. En daar zit ‘m dan net de kneep, zo vindt een werkgroep onder leiding van Jos van Kemenade, Commissaris der Koningin in Noord-Holland.

“Het bestuur kan bij het nemen van besluiten niet voorzien of die aan beginselen van behoorlijk bestuur voldoen in de ogen van de rechter. Die onvoorspelbaarheid moedigt het instellen van beroep aan. De speelruimte van de rechter is voor bezwaarmakers hoopgevend en stimulerend”, zo staat in het rapport dat gisteren is aangeboden aan minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken. Reden om nu met het rapport te komen, is het feit dat de Tweede Kamer binnenkort gaat praten over de evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht.

Onaanvaardbaar

De werkgroep vindt dat deze juridisering heeft geleid tot een onaanvaardbare aantasting van de rechtszekerheid van het bestuur en de eigen positie van het bestuur in een democratisch bestel.

“De rechter is feitelijk medebestuurder geworden. Burgers zien de procedure bij de rechter ook als een extra mogelijkheid om bestuurlijk gelijk te krijgen. De werkgroep vindt dat de verhouding tussen bestuur en rechter zo dient te zijn, dat toetsing door de rechter objectief is begrensd door normen die de rechter stelt.” Met andere woorden, de werkgroep wil dat de rechter zich niet meer inhoudelijk met besluiten kan bemoeien.

27 voorstellen

Om dat te bereiken doet de werkgroep 27 voorstellen gericht op het beperken van het aantal voor beroep vatbare besluiten en stroomlijning van de procedures. Daarnaast zou de rechter de mogelijkheid moeten krijgen om in plaats van een besluit te te vernietigen, belanghebbenden een financiele vergoeding toe te kennen.

De werkgroep wil verder de mogelijkheid dat ‘een ieder’, dat wil zeggen ook anderen dan belanghebbenden, tegen een besluit naar de rechter stapt, schrappen uit de wetgeving. Dit geldt vooral voor de Wet op de ruimtelijke ordening.

Ook zou de mogelijkheid om tijdens een lopende procedure een besluit te wijzigen of te vervangen verruimd moeten worden. Daardoor zouden gebreken aan besluiten hersteld kunnen worden of aan bezwaren tegemoet kunnen worden gekomen.

Belanghebbenden moeten volgens de werkgroep op directere wijze bij de beleidsvoorbereiding worden betrokken dan via een als beperkt ervaren inspraakprocedure. Wordt geen gebruik gemaakt van goede inspraakmogelijkheden, dan zou geen bezwaar meer mogelijk moeten zijn.

Tenslotte wil de werkgroep de beroepsmogelijkheden beperken tot beschikkingen die concreet van aard zijn. Beroep tegen meer algemeen verbindende voorschriften en besluiten van algemene schikking zou dan moeten worden afgeschaft. Daartegen kan dan slechts op bestuurlijk niveau bezwaar worden ingediend.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels