nieuws

Volkshuisvesting in het begin van deze eeuw

bouwbreed Premium

De uitvoering van de in 1901 in werking getreden Woningwet heeft zich niet door geestdrift gekenmerkt. Na enige jaren achtte het Kamerlid Goeman Borgesius het nodig de minister er op te wijzen, dat in de praktijk geen rekening werd gehouden met woningtoestanden en verhoudingen.

Aan het eind van de mobilisatiejaren was gebleken, dat er een groot tekort aan woningen bestond. Hoe groot was onbekend omdat de noodzakelijke statistische gegevens ontbraken. In 1919 werd de eerste woningtelling gehouden. Deze wees onder andere uit dat in de gemeenten met meer dan 2000 inwoners bijna 61.000 gezinnen bij anderen inwoonden. Er werden geteld 1.220.042 woningen waaronder 3661 noodwoningen, 1560 onbewoonbaar verklaarde woningen, 5812 leegstaande woningen en het tekort werd gesteld op 62.000 woningen. Bij een noodzakelijke reserve van 3%, waarvan destijds werd uitgegaan, of 40.000 woningen, zou het totale woningtekort ongeveer 100.000 hebben bedragen. Dit cijfer, ontleend aan “De Nederlandsche Volkshuisvesting Tusschen Twee Wereldoorlogen”, is de grondslag geweest waarop de woningvoorziening in de jaren na de Eerste Wereldoorlog heeft berust.

Helaas, het aantal getelde woningen bleek spoedig veel te laag te zijn omdat in tal van gemeenten alleen de woningen in de kom waren geteld. Na deze en enige andere correcties moest de woningvoorraad worden gesteld op 1.412.000 en werd een tekort van 100.000 woningen aangenomen, of 7% van de voorraad.

Slechte kwaliteit

De kwaliteit van tal van woningen liet veel, soms alles, te wensen over. Zo bleek uit de rapporten van de Rijksgezondheidscommissies die stad en platteland afreisden. Maatregelen die werden genomen om daar verbetering in te brengen hadden slechts plaatselijke betekenis; er was geen vastomlijnd plan voor verbetering van de volkshuisvesting. Bouwen met overheidssteun, mogelijk gemaakt door de woningwet, was steeds het gevolg van plaatselijke initiatieven.

De particuliere bouw was tijdens de oorlog door hoge rentestand en stijging van de bouwkosten vrijwel tot stilstand gekomen en de woningbouwverenigingen lieten het ondanks de toezegging van jaarlijks bijdragen, ook vaak afweten. Tot meer dan 10.000 woningen per jaar kwam men niet.

Door de overheid waren verschillende particuliere bouwvormen van steunverlening aan de woningbouw uitgeprobeerd, maar er veranderde niets wezenlijks totdat de minister van Arbeid, onder wie toenmaals de woningbouw ressorteerde – mr. P.J.M. Alberse uit het kabinet Ruys de Beerenbrock – besloot over te gaan tot steun aan de particuliere bouw. De redenen die aan deze beslissing ten grondslag lagen, waren: het geringe effect dat de steunmaatregelen tot nu toe op de woningproductie hadden uitgeoefend en het feit dat de woningnood zich niet meer alleen uitstrekte tot de arbeiderswoningen maar dat ook in de sector van middenstandswoningen een belangrijk tekort was ontstaan.

Premieregeling

De nieuwe premieregeling, die in december 1920 in het Staatsblad werd afgekondigd, ging uit van het beginsel dat aan ieder die voor eigenrekening en risico een woning bouwt, een vast bedrag werd toegekend, afhankelijk van de woning, welk bedrag was te beschouwen als een tegemoetkoming in het risico van een toekomstige waardevermindering. Hij die de premie aanvaardde verplichtte zich de woning gedurende tenminste vijftien jaar als zodanig te doen gebruiken, doch overigens was hij vrij haar te verkopen of te verhuren. Alle verdere risico was voor rekening van de bouwer. Het Rijk keerde ten hoogste f. 2000 uit.

Het resultaat van deze regeling was dat in korte tijd de particuliere bouw tot herleving kwam. In tien jaar tijd vermeerderde de woningvoorraad met ongeveer 425.000 woningen.

De eerste cao

Het jaar 1920 was ook het jaar van een loonstrijd die van beide zijden met felheid werd gevoerd. Patroonsorganisaties en arbeidersorganisaties waren het er over eens dat de plaatselijke looncontracten, die op vele plaatsen waren gesloten, moesten worden vervangen door een landelijke overeenkomst. De onderlinge verschillen waren groot en het feit dat er ongeorganiseerde arbeiders te werk konden worden gesteld, droeg er niet toe bij de afspraken voor allen geldend te laten zijn.

Toen kwamen de patroonsbonden met een concept voor een landelijk collectief contract – de eerste cao. Na veel vijven en zessen werd dit tenslotte door de katholieke en christelijke werknemersbonden aanvaard, maar door ‘de modernen’ (socialisten) en door de syndicalisten afgewezen. Een van de belangrijkste redenen dat men niet een lijn kon trekken was gelegen in de kinderbijslag die door de katholieken en christelijken werd geeist maar door de modernen, die liever de lonen meer zagen verhoogd, werd afgewezen. De ‘kerkelijken’ aanvaardden een uurloon van 90 ct en verkregen hun kinderbijslag. De anderen hielden vast aan hun looneis van f. 1,15 en voor Amsterdam en Den Haag f. 1,25. De werknemers waren verder bereid het maximum dat in zogenaamd aangenomen werk boven het uurloon kon worden verdiend op 35 cts te brengen. Het geschil was niet te overbruggen.

De verhouding tussen de werknemersbonden zou lange tijd verstoord blijven.

Het kwam tenslotte zo ver dat de aannemersorganisaties van de weerspannige socialistische en syndicalistisch georganiseerden eisten dat zij met de landelijke overeenkomst zouden instemmen op straffe van uitsluiting. Deze weigerden en de uitsluiting, die voor het gehele land gold, duurde niet minder dan twee maanden. Toen gaven ‘de modernen’ toe. Er waren ruim 5000 arbeiders bij betrokken geweest.

Reageer op dit artikel