nieuws

Te lichte gordingen

bouwbreed

Particulieren laten vaak een nieuw huis bouwen zonder dat zij in een aannemingsovereenkomst de gebruikelijke algemene voorwaarden van toepassing verklaren. Als zij het ontwerp van dat huis door een architect laten maken en aan hem het toezicht op de bouw opdragen dan gelden mede de UAV van 1989. In het andere geval wordt door het betrokken aannemingsbedrijf doorgaans de voorwaarde gesteld dat de AVA 1992 mede hun rechtsverhouding beheerst. In het geval dat er een koop-/aannemingsovereenkomst ten grondslag ligt aan het in eigendom verkrijgen van de nieuwe woning, is het model van zo’n overeenkomst, dat in juni 1992 werd vastgesteld, gebruikelijk.

Indien echter volstaan wordt met het vragen van een offerte op basis van een min of meer algemene omschrijving en wat tekeningen, dan laat de opdrachtgever niet alleen de uitwerking daarvan over aan de aannemer, maar is ook de vraag welke regelingen naast die van het gewone burgelijk recht gelden, helemaal opengelaten. En als men de geschillen, die door opdrachtgever en aannemer zelf niet kunnen worden opgelost, niet door de gewone rechter beslecht wil zien, moet men nog een akte van compromis maken om de zaak aan arbiters voor te leggen.

Dat deden ook de opdrachtgever voor de bouw van een woning en zijn aannemer toen zij het niet eens konden worden over de vraag wie verantwoordelijk was voor het doorbuigen van de gordingen. De opdrachtgever stelde dat die te licht waren en dat niet gordingen van 59 X 171 mm, zoals door de arbiter in de woning werd gemeten, maar van 100 X 275 aangebracht hadden moeten worden.

De scheidsman van de Raad van Arbitrage, die de zaak te behandelen kreeg, moest echter constateren dat op de bestektekening, die in opdracht van de eiser was vervaardigd, een maat van 63 X 175 was aangegeven. Op basis van onder andere deze tekening had de aannemer zijn offerte uitgebracht, die op 14 juli 1993 door zijn opdrachtgever voor akkoord was ondertekend.

Dat de gemeente op die tekening een bouwvergunning had verleend, betekende natuurlijk niet dat de aannemer op de juistheid van de gordingmaat kon afgaan. Maar had hij op grond van zijn vakkennis niet moeten zien dat de aan hem voorgeschreven maat te klein was voor het door hem te bouwen huis?

Nee, zei de arbiter, van zo’n verhoudingsgewijs klein aannemersbedrijf als dit mocht niet verwacht worden dat het zelfstandig in staat was om onmiddellijk te zien dat de gordingen op de bestektekening te licht waren. Volgens de arbiter mocht deze aannemer erop vertrouwen dat de aan hem verstrekte tekening op dat punt deugdelijk was.

Weliswaar waren de gordingen iets onder die voorgeschreven maat maar dat was het gevolg van het bijschaven van de ruwe, in het zicht komende, balken. Die vier millimeters waren volgens de scheidsman ook praktisch niet van invloed op de draagkracht van de gordingen. Van een tekortkoming op dat punt, waarvoor de aannemer aansprakelijk was, kon daarom niet gesproken worden.

Dat was wel het geval met de verankering van die gordingen en de muurplaat. Op de zitting van de Raad maakte de aannemer er wel aanspraak op om dat zelf te herstellen, maar daar kreeg hij de kans niet toe. Hij had dat immers geweigerd toen zijn opdrachtgever het hem vroeg voordat die een procedure tegen hem aanspande. De verhouding tussen beide partijen was daardoor zo gespannen geworden dat de arbiter nieuwe problemen vreesde als hij de wens van de aannemer zou honoreren.

Hij kende daarom een bedrag van f. 3000 aan de eisende opdrachtgever toe, die van dat bedrag de gordingen en muurplaat goed kon laten verankeren. Voor het herstel van de door deze werkzaamheden te beschadigen drie slaapkamers werd nog eens f. 2350 toegewezen.

Die twee bedragen samen lagen onder het bedrag dat de aannemer in dezelfde procedure vorderde. De door hem gedeclareerde laatste termijn van f. 5790 was nog steeds niet betaald omdat de opdrachtgever vond dat hij de betaling daarvan mocht opschorten. Er was weliswaar geen onderhoudstermijn afgesproken, maar de klachten bij de oplevering op 15 april 1994 waren in ieder geval eind november verholpen. Daarom kon de aannemer vanaf begin december aanspraak maken op de laatste termijn. Omdat de gebreken aan de gordingen en de muurplaat pas daarna aan het licht gekomen waren, hoefde de aannemer die niet te herstellen voordat hij volledig betaald was. Hij had dus recht op f. 872,79 rente over die ‘onderhoudstermijn’.

Zijn gemachtigde in deze procedure sleepte er zelfs nog f. 500 voor hem uit, want dat bedrag werd hem toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 B.W. bepaalt immers dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte behoren tot de vermogensschade, die voor vergoeding in aanmerking komt. Nu de opschorting van de betaling van de laatste termijn ten onrechte had plaats gevonden kwamen de kosten, die de aannemer had gemaakt om betaling van die termijn te verkrijgen voordat de arbitrageprocedure begon, ook voor vergoeding in aanmerking.

Het slot van dit liedje was dat de opdrachtgever per saldo het bedrag van f. 1812,79 aan zijn aannemer moest betalen, waar nog eens de wettelijke rente vanaf 27 november 1996 bij kwam.

Deze uitkomst toont mijns inziens weer eens aan dat het bij geschillen, waar het in feite om een paar duizend gulden gaat, veel verstandiger is voor de oplossing van zo’n probleem als volwassen mensen om de tafel te gaan zitten. Dat bespaart niet alleen veel tijd en spanning, maar ook vrij aanzienlijke proceskosten en voor beide partijen het honorarium van de gemachtigden, die hen voor de Raad van Arbitrage vertegenwoordigen.

(BR 1997 p. 774)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels