nieuws

Poetisch pleidooi voor de groene metropool

bouwbreed Premium

Landschap, bebouwing en infrastructuur zijn niet elkaars vijanden. Ze kunnen elkaar verrijken als de stedenbouwer er een virtuoos spel mee speelt. Het proefschrift ‘Het landschap in de stad’ waarop de stedenbouwers Leo Tummers en zijn vrouw Joke Tummers-Zuurmond deze week promoveerden aan de TU Delft is een even krachtig als poetisch pleidooi voor dit soort stedenbouw. Voor iedereen die mee wil denken over de inrichting van het land is het een onmisbaar boek. Het opent het perspectief op een nieuw soort Randstad – een ‘groene metropool’ waarin de rollen van het groen en het rood op de kaart zijn omgekeerd en wegen en spoorlijnen een ruimtelijke attractie zijn.

Het tijdperk van de compacte stad loopt ten einde. Het smoort in conflicten tussen bebouwing en infrastructuur. Zoals kantoorwerkers zonder uitzicht een sick-building-syndrome krijgen, zo raken stadsbewoners gestrest die een beetje groen van formaat alleen ver van het centrum vindt, buiten dagelijks bereik.

Ook het tijdperk van de uiteengelegde stad is voorbij. Er is geen ruimte meer om overloopgemeenten, zoals ooit Zoetermeer en Purmerend, los in het groen te leggen. De moderne, functionalistische stedenbouw, waarin het uiteenleggen van wonen, werken, recreeren en verkeer elk soort stadse levendigheid onmogelijk maakte, was al langer failliet.

Dit is simpel samengevat de analyse van de huidige kwalen, die de beide stedenbouwers Tummers in hun boek ‘Het land in de stad’ geven. Een analyse die overigens is ingebed in een, zeker voor leken, aansprekend overzicht van de geschiedenis van de stedenbouw vanaf de vroegste culturen in het Midden-Oosten.

In die geschiedenis vinden zij ook de remedies, de nieuwe compositorische formules. Ze putten inspiratie uit steden zonder stadsmuren, waarin de verhouding tussen stad en land van begin af aan een andere is geweest dan in het ‘gewone’ ommuurde type stad. Favoriet zijn daarbij Londen en Den Haag. Kenmerkend is dat de ongehinderd expanderende stad gaandeweg woeste gronden en bossen incorporeerde; deze verschijnen op de kaart dan als groene enclaves omspoeld door het ‘rood’ van de expanderende stad. Londen dankt er zijn even reusachtige als aantrekkelijke parken aan (Hyde Park, Hampstead Heath enz.) en Den Haag zijn Scheveningse Bosjes en Haagse Bos. Ook parksystemen in Amerikaanse steden als Boston en Kansas City komen uitgebreid aan de orde.

De grote verleidingskracht van de dissertatie schuilt in het overvloedige kaartmateriaal. De kaarten bieden niet alleen feitelijkheden van alle mogelijke steden en metropolen over de gehele wereld, maar ook poetisch gekleurde interpretaties van de verhouding tussen stad en land. Een zeer relaxed stadsleven wordt beschreven, geillustreerd door de strandstoelen in Green Park aan de voet van de Big Ben.

Deze poetische interpretaties zijn vergezeld van een originele interpretatie van de rol die de volgens de auteurs drie fundamentele bouwstenen huis, straat en grond kunnen spelen. In een speculatief betoog – “maar daarvoor is het een proefschrift” – wordt voor de onderlinge verhouding van deze trits als metafoor de verhouding tussen lichaam, ziel en geest onderzocht. Zoals voor gezondheid en geluk een evenwichtige interactie tussen deze laatste drie nodig is, zo moeten in de stedenbouw huis, straat en grond (bebouwing, groen, infrastructuur) niet uiteengelegd maar ‘ineengelegd’ worden.

Intrigerende gedachten die overigens door het soms kromme taalgebruik niet altijd even makkelijk te volgen zijn; een stijlbloempje als voorbeeld: “Zo is het geordend zijn van tijd en ruimte een ideaal, dat fundamenten heeft, hetgeen de moderne term leefbaarheid tracht te verwoorden.” Bedoeld is dat ordening van tijd en ruimte fundamenteel is voor wat tegenwoordig leefbaarheid heet.

Ontworpen agglomeratie

De schrijvers komen tot de zeer tegendraadse conclusie dat de ‘ontworpen agglomeratie’ de remedie tegen de gesignaleerde kwalen is. Ze bedoelen daarmee beslist niet een eindeloos voortwoekerende suburb met alleen maar laagbouw. Cruciaal is juist dat het stedelijk leven direct gecontrastreerd wordt met het buiten van het landschap, of de verbeelding ervan in grote parken en groene gebieden. “Men mag er geen genoegen mee nemen dat er maar bij uitzondering sterke plekken te vinden zijn in stadscentra, mooie landschappen en sterke suburbs, terwijl de stedelijke omgeving voor het overige grotendeels wordt bepaald door oninteressante ruimtelijke structuren, die de grauwe werkelijkheid van het merendeel van alle stedelijke gebieden op aarde uitmaken.

Tussen de sterke plekken van stadscentra en de sterke ons resterende landschappen dient een stelsel van open ruimten te worden geschakeld om de stad-land relatie weer opnieuw onder spanning te brengen. Valt die primaire spanning weg dan is het alsof de stroom uitvalt. Binnen en buiten ‘doen’ het dan niet meer, en daarmee valt iedere spanning van de alledaagse stedenbouw en architectuur weg. Het structuurverlies zet zich door in alle negatieve kenmerken van de ‘nether world’ van de doorsnee agglomeratie”, is hun eigen samenvatting.

Stad raakt aan ‘buiten’

Daarin klinkt al door dat groen en rood zijn omgekeerd, een ‘inversie’ doormaken. Het groen is niet langer een restant, maar integendeel het leidende, structurerende element, wat tot nu toe het rood was. Op de kaarten is het groen de centrale figuur. In de vorm van ‘parkways’ en soortgelijke routes voor openbaar vervoer – zoals de trein door het Naardermeer rijdt – kan de infrastructuur aan het plezier daarvan bijdragen. Op strategische plekken aan het groen kunnen culturele voorzieningen en belangrijke gebouwen verrijzen, waardoor het stadsleven daadwerkelijk raakt aan het ‘buitenleven’, zoals Big Ben en parlement contrasteren met de strandstoelen in Green Park.

Randstad

Voor de Randstad betekent het dat de agglomeraties tussen de oude kernen structuur kunnen krijgen dankzij parksystemen en groene corridors. Die lopen uit op het Groene Hart als groot landschappelijk reservoir. Dit is het centrale groengebied, zij het nog slechts beperkt vormgegeven, op het schaalniveau van de Randstad als geheel. Dat dit Hart slechts beperkt toegankelijk is, is niet erg. Leo Tummers: “Het is net als met de Noordzee. Niemand is er verder in geweest dan honderd meter en dat hoeft ook niet.”

TOM MAAS

L. Tummers, J. Tummers-Zuurmond: ‘Het land in de stad – de stedenbouw van de grote agglomeratie’. Uitg. Thoth. f. 69,50. ISBN 90-6868-187-7.

Inversie (‘omkering’) speelt in de ideeen over de groene metropool een cruciale rol. De vierkanten van figuur 1 met beide 25% groen en 75% bebouwing tonen dat je visueel meer groen krijgt als je dit centraal legt in plaats van de bebouwing. Op eenzelfde manier zou je de planning in een stadsgewest kunnen omdraaien (2): niet bouwen aan uitdijende kernen met daartussen smalle buffers van groen, maar eerst grote groene ruimten vastleggen, waarnaar de bebouwing zich voegt. Feitelijk is dat (ongepland) gebeurd in de geschiedenis van Den Haag (3) dat om grote groene gebieden is gegroeid. Zo komt ‘het land in de stad’ en kunnen waardevolle agglomeraties van stadskernen en open gebieden ontstaan – niet gepland in Het Gooi, wel ontworpen in Almere (4).

Nog weer een schaalsprong verder blijkt de Randstad als geheel, vergeleken met Parijs, Londen en het Ruhrgebied, eigenlijk helemaal niet zo vol en compact als altijd beweerd, maar extensief en nog onbeslist wat betreft compositie van stedenring en Groene Hart (5).

De grote poetisch gekleurde kaart toont de omkering van stad en groen met een voorstel dat de beide stedenbouwkundigen Tummers in 1990 al deden voor een groensysteem als structurerende ‘contramal’ voor een verdere stedelijke ontwikkeling (6). Het (niet aangegeven) rood kan als grote ontworpen agglomeraties intensief samengroeien met het groen. Met dit soort kaarten van Europese en Amerikaanse steden wordt een wervend beeld geschetst van wat een ‘groene metropool’ zou kunnen zijn.

Reageer op dit artikel