nieuws

Overzicht Architectuurinstituut: negentien stijlen in twee eeuwen

bouwbreed

Maar liefst negentien stijlen zijn we de afgelopen twee eeuwen rijker geworden. Het Architectuurinstituut heeft er een permanente expositie over ingericht. Het is een soort bijscholing voor de leek die vat wil krijgen op die bonte verscheidenheid aan stijlen.

Bij de gemiddelde bezoeker van het Architectuurinstituut zal het duizelen bij de bonte verscheidenheid die hij aantreft aan bouwsels uit verleden en heden. Het is een goed idee van het NAi dat als een soort bijscholing een permanente expositie heeft ingericht waarin die verscheidenheid overzichtelijk wordt gemaakt met een rubricering in stijlen. Het begint met het neo-classicistische stadhuis van Groningen uit 1775 en eindigt met het supermodernisme van de megabioscoop op een ander beroemd stadsplein, het Rotterdamse schouwburgplein. Degene die langs de lange wand met foto’s, tekeningen en enkele maquettes loopt, wordt in een kwartiertje duidelijk gemaakt waarom het ene klassieke zuilen heeft met een monumentale entree, en het andere een vormeloze doos van transparante golfplaat is.

Terecht waarschuwt het NAi er onmiddellijk bij dat de rubricering in stijlen slechts een van de vele manieren is om gebouwen te fileren. Met kennis van stijlen en neo-stijlen is het als met een polsstok; handig om verder te komen maar ook het eerste dat je weer los moet laten als je wilt doorstuderen op bijzonderheden als materiaalgebruik, techniek, kleur en interieur. Dezelfde kennis die zekerheid biedt werkt op den duur als een harnas, alles ligt vast.

Waardering voor 19e eeuw

De expositie zelf is een voorbeeld van veranderende inzichten. Tot voor kort werd de negentiende eeuw gezien als een vergaarbak van stijlen. Pas met Berlage en de modernisten zou er weer zinnige lijn in de ontwikkeling komen van stijlen, met De Stijl nog wel. Sinds het modernisme is vastgelopen met mislukte flatwijken en verwoestende saneringsplannen voor binnensteden ligt die discussie weer open. Het postmodernisme kwam op en greep terug op klassieke vormen en types. En nu is er ook in de geschiedschrijving – getuige deze expositie – een herwaardering voor de manier waarop architecten in de negentiende eeuw omgingen met vernieuwingen. Ze rommelden niet zomaar wat in een vergaarbak met stijlen, maar lieten die corresponderen met het karakter, de functie van het gebouw. Die flexibiliteit in stijl, is nu het nieuwe inzicht. Dankzij die flexibiliteit schrokken ze eind negentiende eeuw niet terug voor officiele ‘stijlloosheid’ en voor ‘realisme’ waarin het rauwe van bijvoorbeeld een nieuwerwetse meelfabriek en andere utiliteitsbouw kon worden getoond.

In het ‘supermodernisme’ dat volgens de tentoonstelling heerst sinds begin jaren negentig, komt die waardering voor dat ongelikte bouwen weer terug. Plastic golfplaat is in de Kunsthal door Koolhaas toegepast alsof het edel bouwmateriaal is zoals natuursteen.

Wat ontbreekt in deze bijscholing is een indruk van de conflicten waarmee stijlwisselingen steeds gepaard gingen. De geschiedenis ziet er te neutraal, te lief uit. Iets van conflict spreekt nog wel uit de maquettes: het gipsen Vredespaleis van Berlage steekt prullerig af bij het donkere, broeierige landhuis ’t Reigersnest; het enige voorbeeld van organische architectuur. Daarnaast blijkt het Rietveld-Schroderhuis weer overdreven smetteloos, maar Hertzbergers gefrobel met luciferdoosjes is nog steeds vertederend. Stijl verwijst naar economie, techniek en emotie en het zal duidelijk zijn dat dit aspecten zijn die verdere uitdieping verdienen.

Iets van die uitdieping zal te vinden zijn aan de wand tegenover deze permanente expositie. Daar wordt wisselend materiaal uit het archief van het NAi getoond. Momenteel zijn dat prachtige tekeningen die architect Leliman in zijn korte leven rond de eeuwwisseling heeft gemaakt. Aan de hand van het stijl-overzicht zou ik zeggen: realistisch werk. Want prozaischer dan de door hem ontworpen ANWB-paddestoel kan je iets niet maken.

TOM MAAS

Niet uitgevoerd ontwerp van architect Leliman uit 1905 voor een landhuis. Een van de prachtige tekeningen uit het archief van het NAi.

Het vooroorlogs monumentalisme is vertegenwoordigd door werk van onder ander Sybolt van Ravesteyn, zoals de recent gerestaureerde schouwburg Kunstmin in Dordrecht (1940). Foto: Sybolt Voeten

Neo-gotisch tuinhuisje van J.D. Zocher uit 1830; een van de voorbeelden uit het overzicht van het NAi die tonen dat neo-gotiek voor veel meer dan alleen kerken geschikt werd geacht.

Supermodernisme is de stijl gedoopt waar we nu middenin zitten. De Kunsthal van Koolhaas is een van de voorbeelden van dit soort gebouwen met een eenvoudig uiterlijk maar complex ruimtelijk interieur.

Foto: Ger van der Vlugt

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels