nieuws

Covhei wilde zich niet mengen in strijd tussen werkgevers en werknemers

bouwbreed Premium

Lange tijd heeft Cobouws voorganger, die begin twintigste eeuw Centraal Orgaan voor Handel en Industrie heette, afgekort Covhei, het standpunt ingenomen, dat het zich niet wilde mengen in de strijd tussen werkgevers en werknemers over lonen en arbeidsvoorwaarden, nadat in 1920 de eerste CAO voor de bouw was afgesloten. Covhei wilde voor alles een vakblad zijn en bepaalde zich tot een korte maar vrij volledige berichtgeving.

Evenmin wilde het blad zich bemoeien met ruzies tussen aannemers en toeleveranciers. Het moest zich, zo vond de redactie in tegenstelling tot de opvattingen van Cobouw van vandaag, ver houden van de politieke strijd. Het gaf nu en dan over kwesties als woningnood, lonen en werktijden in een meestal lange beschouwing of in een aantal artikelen een zeer uitgebreide maar gezaghebbende mening van een medewerker. Door zijn berichtgeving verkrijgt men toch een goed beeld van de problemen, die na de Eerste Wereldoorlog in de bouw tot oplossing moesten worden gebracht.

Zo ontleende Covhei aan een dagblad een artikel over wantoestanden in het bouwbedrijf waarin de ‘import van Duitsers’ dringend werd aanbevolen.

Uit Duitse vakbladen werd een artikel vertaald met bijzonderheden over de hoogconjunctuur in de bouw, die in de republiek van Weimar heerste. Ook werd gewag gedaan van het bestaan van een Bond van Gesocialiseerde Bouwbedrijven, gevestigd te Karlsruhe.

Wantoestanden

Als bewijs dat de sociale situatie niet aan zijn aandacht ontging, bracht Covhei het bericht dat minister Aalberse, die veel aanhang vond voor zijn vooruitstrevende denkbeelden, een staatscommissie had ingesteld voor een onderzoek naar wantoestanden in het bouwbedrijf. Dit om aan te geven wat redelijke arbeidsvoorwaarden voor het bouwbedrijf waren.

Een bericht over het nijpende woningvraagstuk in Amsterdam, trekt de aandacht. Wethouder Wibaut voor Volkshuisvesting draagt de Dienst van Publieke Werken op, na te gaan hoeveel uren arbeid, gesplitst naar elke vakgroep, er nodig zijn om een woning te bouwen. Tevens wilde de wethouder nadere gegevens over de aanvoer van buitenlandse arbeidskrachten voor de bouw.

De duidelijk nagestreefde onafhankelijkheid en zakelijkheid werden niet altijd gewaardeerd. De Nederlandsche Aannemersbond nodigde Covhei bijvoorbeeld niet altijd uit voor zijn jaarvergadering, ofschoon het blad de organisatie niet onvriendelijk gezind was. Niets nieuws onder de zon.

Uit mijn eigen periode als hoofdredacteur van Cobouw herinner ik mij, dat de redacteuren van Cobouw de jaarvergadering van de NAPB, die destijds nog in het Kurhaus in Scheveningen werd gehouden, niet mochten bijwonen. Dat was in 1965. Tijdens de koffiepauzes waren er toen wel goedwillende leden, die de journalisten vertelden wat er aan de hand was. Achteraf denk je dan wel eens, dat de geringe openheid van het bestuur eigenlijk nergens op berustte, maar het was toen zeer gebruikelijk de openbaarheid te mijden. Ook in dit opzicht is er in de loop der jaren veel veranderd.

Techniek had voorrang

Covhei vulde dat gebrek aan openheid op door aandacht te besteden aan de grote technische veranderingen die in het bouwproces steeds meer een rol gingen spelen. Een afzonderlijke rubriek voor betontoepassing werd geopend en regelmatig werd de normalisatie van keuringsvoorschriften voor bouwmaterialen of het gebruik van exotische houtsoorten in de bouwtechniek behandeld. Tot de vaste medewerkers behoorden de toen zeer bekende Alkmaarse architect Jan Wils, die was begonnen op het bureau van Berlage, en de Belgische bouwmeester Huib Hoste. Het land van onze zuiderburen werd bepaald niet veronachtzaamd, vooral niet omdat daar zware oorlogsschade moest worden hersteld.

Vragenbus

Het contact met de lezers werd in Covhei onder meer onderhouden door de ‘Vragenbus’. Uit de gestelde vragen blijkt wel dat er werkgevers waren die met de bepalingen van de groeiende sociale wetgeving nog niet overweg konden. Maar hetzelfde gold voor de werklieden, zeker als zij zich niet hadden georganiseerd en niet bij de bond om raad durfden vragen. Een voorbeeld van vraag en van antwoord volgt hier.

Vraag: “Zeer gaarne zou ik van U vernemen of ik verplicht ben ziekengeld uit te keeren aan een opperman die bij mij drie en een halve dag heeft gewerkt, daarna een week heeft gestaakt en na afloop van de staking met een zieke hand op het werk kwam en zich toen na verloop van een dag ziek meldde”.

Antwoord: “Volgens de wet is U verplicht bij ziekte Uw werklieden zeventig procent van hun loon uit te betalen. Krijgt U kwestie over het tijdperk, waarover de uitkeering moet geschieden dan beslist de kantonrechter. Wij zouden in Uw geval de zaak daarop maar eens laten aankomen, tenzij U met een kleine betaling van het geval kan afkomen”.

Zo wemelde het destijds van vragen, vooral op sociaal gebied. Daaruit blijkt wel heel duidelijk dat Cobouws voorganger ook een sociaal – maatschappelijke taak had naast het advies geven over technische vraagstukken. Het klinkt wellicht wat arrogant te stellen dat het blad ook toen bepaald niet kon worden gemist.

Dr. F.M. Wibaut, wethouder voor Volkshuisvesting in Amsterdam, naar een tekening van Jan Sluyters.

P.J.M. Aalberse, die van 1918 tot 1925 minister van Arbeid, Handel en Nijverheid was, stelde een staatscommissie in naar de wantoestanden in het bouwbedrijf met name op het punt van de arbeidsvoorwaarden.

De nieuwe straat. Een van de bekende platen van Jetses, die menig schoollokaal van de Lagere School hebben opgevrolijkt. Deze geeft een goed beeld van de stratenaanleg zoals deze in het begin van de eeuw werd uitgevoerd.

Reageer op dit artikel