nieuws

Vrijheid Bouwbesluit leidt niet altijd tot blijheid

bouwbreed

Dat het Bouwbesluit op de schop moet, is een feit. Maar of het een goede zaak is als de bruikbaarheidseisen worden geschrapt is de grote vraag.

Onleesbaar, ontoegankelijk, onbruikbaar in de bouwpraktijk, dat zijn zo ongeveer nog de meest vleiende kwalificaties voor het Bouwbesluit. Ooit bedoeld om de per gemeente verschillende bouwverordeningen te vervangen en daardoor eenheid te brengen in de bouwregelgeving, is het verworden tot een baaierd aan voorschriften waar de bouw nauwelijks mee uit de voeten kan.

Het zou allemaal zo simpel worden. Men neme een aantal prestatie-eisen, koppelt daar NEN-normen aan met meetmethoden, en een kind kan de was doen. Helaas blijkt de praktijk dus anders. Het aantal pagina’s handboeken, cursusmaterialen en aanverwante drukwerken ter verduidelijking ervan beslaat inmiddels al een veelvoud van het Bouwbesluit zelf.

Kortom, tijd voor deregulering. Daar is ook staatssecretaris Tommel een voorstander van. Daarbij gaan zijn gedachten uit naar alleen die zaken regelen die voor de mondige burger niet direct tastbaar, maar wel van essentiele betekenis zijn, zoals eisen op het gebied van veiligheid en gezondheid. Wat geschrapt zou kunnen worden, zijn eisen aan de bruikbaarheid. Dat wil zeggen zaken als plafondhoogte, afmetingen van ruimten, maar ook bijvoorbeeld de aanwezigheid van een elektrische installatie, aansluitingen voor gas en water.

Allemaal zaken kortom, waarvan iedereen het doodnormaal vindt dat die in een woning aanwezig zijn. Dat is dan ook precies de reden waarom die geschrapt zouden kunnen worden. Geen bouwondernemer of architect zou er immers ook maar een seconde over nadenken om die zaken weg te laten, zo wordt verwacht.

Je zou dus verwachten dat bouwbreed hoera geroepen wordt over het krijgen van zoveel vrijheid. Maar moet er wel hoera worden geroepen? Of raken bouwers van de regen in de drup?

In Woningraad, het blad van de Nationale Woningraad, heeft ir. P.J. Jansen, seniorbeleidsadviseur Techniek en Milieu daar zo zijn twijfels over. Volgens hem blijven zelfs professionele opdrachtgevers als woningcorporaties behoefte houden aan collectief geformuleerde eisen.

Dat zal ertoe leiden dat verschillende organisaties zich zullen werpen op het formuleren van die eisen, zoals bewonersorganisaties en verzekeringmaatschappijen. “Wellicht verzoeken corporaties hun koepelorganisatie minimumeisen voor eisen op te stellen”, zo schrijft hij. Als dat gebeurt, heeft de bouw nog mazzel, want dan is er tenminste nog een uniform landelijk beleid.

Voor wie dat niet gelooft, haalt hij de Franse methode aan. In Frankrijk kent men maar een eis voor gebouwen: die moeten verzekerd zijn. Gevolg is dat elke verzekeringsmaatschappij zijn eigen Bouwbesluitje heeft opgesteld. Dat lijkt aardig voor een opdrachtgever omdat die dan lekker kan shoppen voor de gunstigste voorwaarden.

Gemeenten

Voor de bouw dreigt er een echter een groter gevaar. Gemeenten zullen zich gretig werpen op de leemte die de wet- en regelgeving achterlaat.

Gemeenten bemoeien zich nu al met zaken, die eigenlijk des ondernemers zouden behoren te zijn, zoals de maximale prijs van nieuwbouwwoningen (hoezo marketing?) en zelfs de architectenkeuze (hoezo marktwerking?).

We dreigen dan weer terug te zijn bij ‘af’, de tijden van de Modelbouwverordening waarvan op meer dan 100 plaatsen mocht worden afgeweken. Een gemeentelijke bouwverordening waarin per gemeente verschillende bruikbaarheidseisen zijn opgenomen. En dat was juist de reden om het Bouwbesluit te maken.

Kortom, de vraag is of deregulering hier moet leiden tot minder regels. Een andere definitie van deregulering is eenvoudiger regelgeving. Daarbij zou het voorstel van de BNA kunnen worden betrokken om praktijkmensen bij elkaar te zetten die het Bouwbesluit beter leesbaar en beter aansluitend op de bouwpraktijk zouden kunnen maken. Daar heeft de bouw baat bij.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels