nieuws

Jorritsma houdt rekening met extra vertraging verdieping Westerschelde Raad van State: wetsontwerp ‘bagger’

bouwbreed

De Raad van State heeft forse kritiek op de Vergunningenwet Westerschelde, het wetsontwerp waarin de verdieping van de Westerschelde wordt geregeld. Vooral de manier waarop de rechtsbescherming (nauwelijks) is geregeld, vindt geen genade in de ogen van de Raad.

Een en ander blijkt uit het advies van de Raad van State dat tegelijkertijd met het wetsontwerp door minister Jorritsma aan de Tweede Kamer is aangeboden. Die heeft het wetsontwerp in allerijl gemaakt nadat de afdeling rechtspraak van de Raad van State had uitgesproken dat een vergunning op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) onvoldoende was voor het uitvoeren van de benodigde baggerwerkzaamheden.

Uit het oogpunt van goed nabuurschap met Belgie wordt het van belang geacht dat de werkzaamheden aan de Westerschelde ten behoeve van de haven van Antwerpen zo snel mogelijk kunnen beginnen. Een nieuwe vergunningenprocedure zou die gewenste snelheid drastisch vertragen.

De Raad van State begint haar advies met het citeren van een ongevraagd advies van de Staatscommissie voor de waterstaatswetgeving, die het onjuist vindt dat de wetgever op deze manier een rechterlijke uitspraak met gelegenheidsargumenten opzij zet.

De Staatscommissie vindt zelfs dat de overheid zich hiermee buiten de geldende rechtsorde plaatst. Minister Jorritsma gaat ervan uit dat er sprake is van een misverstand

Mer

Vraagtekens zet de Raad van State bij het ontduiken van de verplichting om een milieueffectrapportage (mer) op te stellen. Volgens Europese regelgeving kan dit als er sprake is van uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden.

De Raad van State vindt de argumenten van Jorritsma om een specifieke wet te maken in feite te mager om te spreken van een uitzonderlijk geval.

Een andere mogelijkheid om on der mer-plicht uit te komen is als het gaat om een project waarvoor specifieke nationale wetgeving in het leven wordt geroepen. Daarbij moet volgens de Raad van State de nadruk worden gelegd op voldoende specifiek en voldoende detaillering. Met nadruk zegt de Raad dat het gebruik maken van de ontheffing van de mer-plicht de overheid niet ontslaat van de plicht de milieueffecten van het project te beoordelen “als ware er een mer opgesteld”. En daar schort het in het wetsontwerp aan, zo vindt de Raad.

Minister Jorritsma verschilt ook op dit punt van mening met ’s lands hoogste adviescollege voor wetgeving. Zij vindt dat de Europese richtlijn geen verplichting oplegt om in het wetsontwerp zelf de milieueffectbeoordelingen op te nemen. Niettemin heeft zij nu een bijlage bij de Memorie van Toelichting gevoegd waaruit blijkt op welke manier de milieu-effecten van de verdieping van de Westerschelde zijn beoordeeld.

Een zwaar punt vindt de Raad het feit dat de rechtsbescherming ontbreekt. “Anders dan in het Deltaplan grote rivieren heeft de regering in dit geval niet gekozen voor een vervangend rechtsbeschermingstraject.

Naar de mening van de Raad staat een en ander op gespannen voet met de in ons land algemeen gebruikelijke rechtsbescherming in zaken als deze”, zo schrijft de Raad. Hij sluit daarbij zelfs strijdigheid met het Europees Verdrag over de rechten van de mens niet uit.

Onpartijdige rechter

Minister Jorritsma is het ook hier niet geheel mee eens. Zij erkent dat er toegang moet zijn op beoordeling van wet- en regelgeving door een onafhankelijke onpartijdige rechter.

Zij vindt echter dat ondanks het feit dat voor het uitbaggeren van de Westerschelde en het terugstorten van de baggerspecie een vergunning bij wet wordt verleend, geen belemmering betekent voor een rechtsgang.

Ook bij de werkingsduur van de wet (tot en met 31 december 2000) zet de Raad van State vraagtekens. Hij wijst erop dat voor een normale vergunningenprocedure zo’n 15 maanden kan worden gerekend. Hij vindt dan ook dat de wet minder lang van kracht behoeft te zijn.

Ook minister Jorritsma sluit niet uit dat de normale vergunningen al ver voor 2000 verleend kunnen zijn. Zij vreest echter dat als gevolg van de mogelijkheden van inspraak tijdens de normale procedure aan die vergunningen andere voorwaarden gehangen kunnen worden dan nu in de wet staan. Dat nu lijkt haar ongewenst. Daarnaast deelt zij mee dat “rekening houdend met (verdere) vertraging, de einddatum in het gewijzigd wetsontwerp gesteld is op 30 juni 2001.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels