nieuws

Groene-Hartbeleid is effectief

bouwbreed

De afgelopen jaren is het restrictief beleid ten aanzien van de bouw in het Groene-Hart nog verder aangescherpt. Het resultaat is inderdaad dat er in de gemeenten waar dat nauwelijks meer de bedoeling is, ook duidelijk veel minder wordt gebouwd.

Het Groene-Hart strekt zich uit over de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland. Een groot aantal gemeenten ligt geheel in dit gebied, van tal van andere gemeenten wordt blijkens de kaartjes van VROM slechts een deel tot het Groene Hart gerekend.

De grens van het Groene-Hart in de Haarlemmermeer bijvoorbeeld loopt ergens ten zuiden van Nieuw-Vennep, derde weiland, tweede koe links. Over deze wat vaag gedefinieerde deelgebieden zijn geen cijfers bekend; over de gemeenten die geheel in het gebied liggen uiteraard wel.

In Utrecht liggen twaalf gemeenten geheel in het Groene-Hart, waaronder de Vinex-bouwgemeente IJsselstein en de gemeenten Woerden en De Ronde Venen, die moeten zorgen voor de opvang van de woningzoekenden die in hun eigen (restrictieve) gemeente geen woning kunnen bemachtigen.

In Noord-Holland maken maar vier gemeenten geheel deel uit van het Groene-Hart, hieronder zijn geen opvanggemeenten. Het grootste deel van het Groene-Hart ligt in Zuid-Holland, maar liefst 26 gemeenten. Daaronder bevinden zich slechts twee opvanggemeenten (Alphen a/d Rijn en Gouda), die overigens over nog maar weinig groeimogelijkheden beschikken. De overige opvang van het woningtekort moet buiten het Groene-Hart geschieden.

Bouwvergunningen

We hebben de bouwvergunningen per gemeente (CBS) verzameld voor de periode 1-1-1994 tot 1-10-1996 en omgerekend tot een gemiddelde per jaar. Afgezet tegen de bevolkingsomvang per 1-1-1995 levert dat de volgende resultaten op.

Voor Nederland als geheel werd in deze periode voor 6,5 woningen per 1000 inwoners vergunning verleend (100%). Voor het gehele Groene-Hart was dat slechts voor 5,3 woningen, of 18% minder. Daarbij lag een zwaar accent op de opvanggemeenten. Hier werd gemiddeld voor 7,6 woningen vergunning verleend (+16%); in de andere Groene-Hartgemeenten waren dat slechts 4,2 woningen per 1000 inwoners, of maar liefst 36% minder dan landelijk gemiddeld.

De gemiddelde woningbezetting, d.w.z. het aantal inwoners gedeeld door de woningvoorraad, was voor heel Nederland op de peildatum 2,5. In het Groene-Hart lag deze echter op 2,7, waarvan in de opvanggemeenten 2,6 en de overige 2,8. Het totaal jaargemiddelde voor alle gemeenten in het Groene-Hart bleef beperkt tot 3600 woningen, waarvan 1740 in de vijf opvanggemeenten.

In totaal woonden er op de peildatum 673.217 mensen in de Groene-Hart gemeenten, of 4,4% van de landelijke bevolking. Zij kregen minder dan 3,6% van de vergunde woningen. Men kan niet anders zeggen dan dat het Groene-Hart beleid zichtbaar effectief is voor wat betreft de beperking van de woningbouw. Er is duidelijk sprake van een achterblijven voor wat betreft de woningvoorziening in het Groene-Hart.

Verschillen

In Utrecht zijn de totaalcijfers met 6,4 woningen per 1000 inwoners wat lager (-2%) dan het Nederlands gemiddelde. De Groene-Hartgemeenten hier komen toch nog op 7 woningen per 1000 inwoners, vooral dankzij de opvanggemeenten (8,9). In de overige Groene-Hart gemeenten in deze provincie blijft het aantal woningen beperkt tot 5,1 of 22% lager dan landelijk gemiddeld.

In Noord-Holland werden met 5,8 per 1000 inwoners ook minder woningen vergund (-11%) dan gemiddeld; in de Groene-Hart gemeenten was dat slechts 4,1 woningen/1000 inwoners of 37% minder dan landelijk gemiddeld.

Domper

Zuid-Holland bevat het grootste deel van het Groene-Hart. In deze provincie viel de woningbouw eveneens nogal tegen met 6,1 woningen/1000 inwoners ( – 6%). In de Groene-Hart gemeenten waren het er echter slechts 4,8/1000 inwoners. In de opvanggemeenten lukte het nog om tot 6,6/1000 te komen, maar in de overige gemeenten bleef het aantal vergunde woningen beperkt tot een schamele 3,9/1000 of maar liefst 40% minder dan landelijk.

Op de kaartjes wordt het restrictief beleid aangegeven met bebouwingscontouren waarbuiten een gemeente geen bebouwing meer mag toestaan. Daarbij blijken er diverse soorten van restrictief beleid te zijn. In sommige gemeenten mag nog alleen voor de opvang van de eigen bevolking worden gebouwd. Mensen van buiten de gemeente kunnen zich hier in principe niet vestigen.

In het veld valt daarvoor wel de weinig vleiende term ‘Janmaat-gemeenten’ (eigen volk eerst) te horen. In andere gemeenten is het zelfs niet langer mogelijk voor de eigen bevolking te bouwen. Bij een mede als gevolg van de vergrijzing nog voortgaande gezinsverdunning, dus een dalende gemiddelde woningbezetting, zal bij een nagenoeg gelijkblijvende woningvoorraad in deze gemeenten de bevolkingsomvang langzamerhand moeten gaan dalen. Er wordt deze gemeenten als het ware van rijkszijde een ‘sterfhuisconstructie’ opgelegd.

Het lokale draagvlak voor dit beleid, dat ook op veel gemeenten in Gelderland en Brabant betrekking heeft, blijkt niet erg groot te zijn, hetgeen weinigen zal verwonderen. Op den duur zal toch het niveau van de voorzieningen in een streng restrictieve gemeente tekort gaan schieten, waaronder de werkgelegenheid. Hoeveel en welke gemeenten dit beleid precies treft is niet geheel duidelijk, noch welke gemeenten onder een streng restrictief beleid vallen en welke tenminste nog voor hun eigen gemeenschap mogen zorgen.

Dat is een van de nadelen van beleid voeren met behulp van bevlogen teksten en vlot geschetste kaartjes, maar zonder analyse of cijfermatige achtergrond. Naar schatting vallen in het hele land enkele honderden gemeenten, met samen enkele miljoenen inwoners, onder het restrictief beleid. Op lange termijn moet daarvan wel een flinke domper uitgaan op de nationale, maar zeker de regionale economie.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels