nieuws

Geen onderzoek naar fundering

bouwbreed

Maakt de architect, die de beperkte opdracht heeft gekregen om het ontwerp te maken voor een verbouwing, een verwijtbare fout als hij zijn opdrachtgever niet wijst op de gevolgen, die het bouwen van een extra verdieping voor de fundering heeft? En als dat zo is, wat zijn dan de schadelijke gevolgen van die nalatigheid?

Die vragen kreeg het Arbitrage Instituut Bouwkunst (AIBk) te beantwoorden toen de opdrachtgeefster van een architect hem aansprak voor de schade, die zij eerst door haar miskoop en daarna door het opnieuw moeten funderen van haar wat oudere huis leed.

Die opdrachtgeefster was de dochter van de man, die jarenlang met deze architect zaken had gedaan en hem daarbij steeds volledige opdrachten verstrekte. Welke vervelende gevolgen verbonden kunnen zijn aan het met elkaar zaken doen door mensen, die elkaar goed kennen en het daarom niet nodig vinden om hun overeenkomst schriftelijk vast te leggen, bleek hier wel heel duidelijk. De opdrachtgeefster dacht dat zij een volledige opdracht had verstrekt, omdat haar vader dat ook altijd deed; de architect kon echter aantonen, dat hij alleen een ontwerp moest maken voor de verbouwing en dat hij daarmee de benodigde bouwvergunning moest aanvragen.

Dat hij zijn relatie bij de aankoop van hetzelfde huis van advies had gediend en daarbij had nagelaten haar te informeren over de noodzaak om de fundering te herstellen, ontkende hij in alle toonaarden. Het was ook niet te bewijzen, dat hij een rol had gespeeld bij de aankoop van het, kennelijk nogal oude, huis. Die grondslag voor de door haar geclaimde herstelkosten van de fundering, was dus niet aanwezig.

Bleef over de vraag of de architect had moeten waarschuwen, dat het bouwen van een extra verdieping met zich meebracht, dat de fundering versterkt zou moeten worden. Als dat het geval was zou hij immers een verwijtbare fout gemaakt hebben, voor de gevolgen waarvan hij dan aansprakelijk was.

Voordat met het verhogen van de dakkap begonnen werd had de architect aan zijn opdrachtgeefster melding gemaakt van de mogelijkheid, dat de fundering versterkt zou moeten worden in verband met de toenemende belasting. Dat achtte hij overigens niet erg aannemelijk want door de gelijkmatige gewichtsverdeling van de door hem ontworpen kap zou puntbelasting achterwege blijven. Hij dacht dat de draagkracht van de bestaande funderingsstroken wel voldoende zou zijn om de circa 20 procent grotere belasting op te vangen.

Voor alle zekerheid vroeg hij aan een constructeur om de gevolgen voor de fundering nog even door te rekenen. Wat de uitkomst van die berekening was, vermelden de scheidslieden van de Raad helaas niet in hun vonnis. We nemen dus maar aan, dat die deskundige zijn oordeel nog niet had gegeven toen de praktijk al uitwees, dat die gevolgen nogal ernstig waren.

In januari 1995, de verbouwing was nog maar net begonnen, zag de aannemer dat het huis over zijn volle lengte 11 tot 15 cm verzakt was. Hij belde direct de architect en vroeg hem om te komen kijken. Die wist niet, dat er al gebouwd werd, want de bouwvergunning was nog niet eens afgegeven.

Ook was hij niet op de hoogte van het feit dat er door zijn opdrachtgeefster al een aannemer was ingeschakeld. Toen hij zag wat er aan de hand was gaf hij meteen opdracht voor een sondering; de uitkomst daarvan was voor hem aanleiding te adviseren om het plan te wijzigen en het hele huis te voorzien van een geheide fundering. Daarmee ging zijn opdrachtgeefster akkoord; zij vroeg bij de gemeente een sloopvergunning aan want was het voor haar goedkoper geworden om na de sloop een heel nieuw huis te laten bouwen.

Zij stelde de architect wel aansprakelijk. De constatering van arbiters, dat de opdracht aan de architect een beperkte was geweest, was voor de vraag of hij aansprakelijk was, niet van belang. Artikel 55 van de hier toepasselijke SR 1988 maakt immers geen verschil tussen volledige en beperkte opdrachten voor wat de aansprakelijkheid betreft.

Voldoende voor zijn aansprakelijkheid was het feit, dat hij zijn opdrachtgeefster niet tijdig en duidelijk had verteld welke financiele consequenties er verbonden zouden zijn aan de noodzakelijke verbetering van de constructie. Een enkele waarschuwing, zoals de architect zei gegeven te hebben, was daarvoor niet voldoende, zo vonden de arbiters. In ieder geval niet in een situatie zoals hier, waarin de kosten van die verbetering de gedachte bouwkosten aanmerkelijk zouden verhogen. De architect was dus zonder twijfel aansprakelijk. Maar voor welk bedrag?

Het Arbitrage Instituut komt tot een schade van f. 99.384,60. Dat zou de extra investering voor het alsnog verwezenlijken van het bijgestelde plan bedragen. Hoewel de arbiters tot de conclusie kwamen dat de schade bijna een ton bedroeg kenden zij aan de opdrachtgeefster slechts f. 2.754,79 toe. Dat was namelijk het honorarium van de architect geweest en volgens het tweede lid van artikel 60 van de SR 1988 is de door een architect, die geen volledige opdracht heeft gekregen, te vergoeden schade beperkt tot het bedrag van zijn honorarium. Zelfs in 1966 trekken deze arbiters zich niets aan van de vraag of zo’n exoneratie-beding als dat van artikel 60 SR 1988 zich wel verdraagt met de eis, die de redelijkheid en billijkheid eraan stelt.

Ook hun opdracht om “als goede mannen naar billijkheid” te oordelen over de aan hen voorgelegde geschillen speelde in dit geval geen rol van betekenis. Het feit, dat de architect erg onverantwoord had gehandeld door het “vergeten” van de gevolgen voor de strookfundering, die een veel zwaardere last kreeg te dragen was voor hen geen reden om dat artikel buiten beschouwing te laten.

Er speelt hier nog een andere interessante vraag. Als de architect had gezegd, dat er een nieuwe paalfundering moest komen voordat met de verbouwing begonnen kon worden, zou er dan een andere situatie zijn ontstaan dan nu het geval was?

Nee, zou ik zeggen, want als de eigenares van dit slecht gefundeerde huis die nieuwe paalfundering had moeten laten aanbrengen, zou het huis ook eerst gesloopt zijn. Zelfs als die fundering zo aangebracht had kunnen worden dat geen sloop nodig was, dan zouden de kosten van die fundering toch ook voor haar eigen rekening zijn gekomen. Alleen door het van die hele verbouwing afzien zou zij de niet-voorziene funderingskosten hebben kunnen vermijden. Maar of het huis dan aan zijn doel beantwoord zou hebben is natuurlijk maar de vraag!

Dat zij in dat geval de schade door het kopen van een kat in de zak niet op de architect zou kunnen verhalen was in ieder geval al in deze procedure beslist.

(BR 1996 p. 950)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels