nieuws

Lekkende slibopvangput

bouwbreed Premium

Een kleine tien jaar geleden werd het aantal vervuilde bedrijfsterreinen in ons land geschat op zo’n 200.000! Voor de zeer urgente gevallen werd er in het kader van de Wet bodembescherming vanuit gegaan, dat die terreinen binnen vier jaar na de definitieve vaststelling van de urgentie gesaneerd zouden worden. Dat zou dan voor de in gebruik zijnde bedrijfsterreinen in beginsel op basis van vrijwilligheid moeten geschieden. Er kan echter ook buiten de in het kader van die operatie gekozen aanpak aanleiding voor bodemsanering ontstaan als een tot dan toe onbekende vervuiling aan het licht komt. Bijvoorbeeld door klachten van omwonenden.

In december 1981 klaagden bewoners van twee huizen aan de Bronckhorststraat in Amsterdam over petroleumstank. De dienst Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente stelde een onderzoek in en ontdekte (overigens pas in 1983!) dat de grond in de tuinen van die woningen verontreinigd was met minerale olie. Ook het grondwater onder de huizen bleek vervuild te zijn, maar de oorzaak ervan vond men toen niet.

Dat gebeurde pas nadat de eigenaar van de woningen, het Portugees-Israelische kerkgenootschap, de opdracht van Amsterdam had gekregen om de stank ongedaan te maken en de verontreiniging op te heffen. Bij de grondwaterbemaling, die daarvoor plaatsvond, bleek dat de aard van de verontreiniging een andere was dan men verwachtte. In het grondwater zat namelijk een witte emulsie en daarop had de olieafscheider, die men voor de schoonmaakoperatie nodig dacht te hebben, geen enkel effect.

De zaak werd toen door de gemeente aangemeld bij de provincie, die een orienterend onderzoek liet instellen. Dit wees uit dat de opvallend witte kleur van het grondwater in een van de tuinen veroorzaakt werd door een lek in de slibopvangput van het ernaast gelegen garagebedrijf. Het gebruikte voor de reiniging van motoren het oplosmiddel Castrol; al sinds 1974 gebeurde dat door de toenmalige BV waarbij de man die in 1977 het bedrijf overnam al sinds 1956 in dienst was.

Die nieuwe directeur kreeg in 1981 een lozingsvergunning voor dat verontreinigde afvalwater en daarin was de aanwezigheid van de slibopvangput geregeld. Belangrijk in die vergunningsvoorwaarde was de verplichting om de put en de olieafscheider erachter elke veertien dagen te controleren. Toen het garagebedrijf in het kader van het provinciaal onderzoek daarop gecontroleerd werd, bleek dat de gemetselde bakstenen zo met de hand verwijderd konden worden.

De put lekte dan ook als een mandje, zodat een stok van anderhalve meter die door de opgemetselde rand werd gestoken, helemaal verdween. Het verontreinigde water was daarom niet via de afscheider de grond in gelopen met alle gevolgen van dien. Zodra de directeur van het garagebedrijf daarop werd gewezen, liet hij direct de put herstellen maar de sanering van grond vond pas in het voorjaar van 1989 plaats.

Dat grapje kostte, inclusief het bodemonderzoek, ruim f. 632.000. Dat bedrag wilde de Staat op grond van artikel 75 van de Wet bodembescherming van het garagebedrijf of van zijn directeur terughebben. Ook het kerkgenootschap diende zijn claim van f. 20.765,17 in voor de kosten om de stankoverlast in de door de Kerk verhuurde huizen te bestrijden. Ook voor die door het bedrijf veroorzaakte schade werd zowel de BV als haar directeur hoofdelijk aansprakelijk gesteld.

De zaak kwam voor de rechtbank in Amsterdam. Die kon als vaststaand ervan uitgaan, dat de vervuiling het gevolg was van het lekken van de slibopvangput van de garage. Omdat al sinds de jaren zeventig de milieuproblematiek en met name de verontreiniging van de bodem in de publieke belangstelling stonden, hadden het garagebedrijf en zijn directeur ke begrijpen dat het ongecontroleerd in het milieu brengen van de door hen gebruikte stoffen onaanvaardbaar was.

Zeker sinds in de voorwaarden van de gemeentelijke lozingsvergunning zeer specifieke bepalingen waren opgenomen die de gevaren voor het milieu moesten voorkomen, ging de rechtbank ervan uit dat het autobedrijf die gevaren voor lief had genomen. Dit betekende dat het bedrijf onrechtmatig had gehandeld niet alleen tegenover de Staat maar ook jegens derden, die door de verontreiniging schade hadden geleden.

Op de vraag of ook zijn directeur een onrechtmatige daad had gepleegd moest vast komen te staan dat deze op de hoogte was geweest van de slechte staat van de opvangput, danwel dat hij zich bewust was geweest van het feit dat zijn bedrijf in de omgeving een ernstige verontreiniging had veroorzaakt.

De rechtbank vond het niet laten controleren van de opvangput niet een zo ernstige nalatigheid, dat de directeur naast zijn BV ook nog eens zelf aansprakelijk was. De schadeclaim tegen hem werd dan ook afgewezen; over de vordering tegen het bedrijf diende eerst te worden nagegaan of er nog andere verontreinigingsbronnen in de buurt waren. Uit de saneringsrapportages maakte de rechtbank namelijk op, dat de oorzaak van de verontreiniging ook op andere plaatsen gezocht diende te worden.

Of dat zo was en in welke mate dat misschien nog steeds gebeurde moest een deskundigenonderzoek uitwijzen. Maar de claim van het kerkgenootschap werd al direct gehonoreerd. Nu vaststond dat het garagebedrijf inbreuk had gemaakt op het erfpachtsrecht van die kerk op de verontreinigde bodem en de gemaakte kosten voor de opheffing van de stankoverlast vaststonden, vond de rechtbank het er niet toe doen of ook anderen aan de verontreiniging hadden bijgedragen.

Wat merkwaardig, want die mogelijke anderen hadden dan toch immers net zo goed onrechtmatig stank veroorzaakt als de garage! Maar wellicht kan dat bedrijf een deel van die schade verhalen als na het deskundigenrapport blijkt dat ook een of meer anderen verantwoordelijk zijn voor de stankoverlast van de bewoners aan de Amsterdamse Bronckhorststraat.

(BR 1997 p. 502)

Reageer op dit artikel