nieuws

Coenen tikkeltje te wild voor Kop van Zuid

bouwbreed Premium

Omdat Rotterdam op de Kop van Zuid al meer dan voldoende rechte bouwblokken op rij heeft staan, heeft architect Jo Coenen ‘Little City’ ontworpen. Een frivool ensemble gebouwen als ‘dansers op een podium’. Helaas voor hem en zijn opdrachtgever aannemer/ontwikkelaar Van Omme en De Groot zal het nooit gebouwd worden. Blijkbaar is het een tikkeltje te wild. Door het in het Architectuurinstituut tentoon te stellen wil Coenen een discussie oprakelen over de kwaliteit van de stedenbouw.

Volgens architect Jo Coenen zorgen de tot nu toe gerealiseerde gebouwen en openbare ruimten op de Kop van Zuid “nog niet voldoende voor een stedelijk klimaat dat kan wedijveren met de andere zijde van de Maas”. Hij vindt dat het gebied “tot leven moet worden gewekt”. Daartoe ontwierp Coenen voor een locatie op de Zuidkade in plaats van weer vier rechthoekige blokjes de ‘stadssculptuur’ Little City. De sculptuur op een iets verhoogde plint (met parkeerruimte) is een opzienbarende compositie van met elkaar verbonden gebouwen, waarin behalve woningen allerlei stedelijke voorzieningen zijn ondergebracht (sportvoorzieningen, winkels, horeca). Die moeten als ‘motor’ voor de omgeving fungeren.

De precieze status van het plan wordt op de kleine tentoonstelling in het Architectuurinstituut nergens duidelijk gemaakt. Het vergt enig zoekwerk om erachter te komen dat het plan nooit gerealiseerd zal worden. Het was een van de tien plannen voor deze locatie (naast het belastingkantoor in de Wilhelminahof) die Rotterdam al enige maanden geleden kreeg voorgelegd van daartoe aangezochte ontwikkelaars. Hen was gevraagd om een marktvisie, niet een volledig uitgewerkt plan. Volgens de strakke lijnen van het bestemmingsplan gaat het om vier blokjes met vier keer 125 woningen en vier keer 2500 vierkante meter bedrijfsruimte.

Van de tien voorstellen werd dat van ontwikkelaar Heijmans verkozen. Dat plan was lang niet zover uitgewerkt als dat van Van Omme en De Groot. Heijmans werkt nu het programma van eisen nader uit; de architectenkeuze zal nog geschieden, in overleg met de gemeente.

Alles of niets-strategie

“Als je iets doet, moet je het goed doen”, verdedigt Van Omme en De Groot de vergaande uitwerking van de eigen marktvisie. Toegegeven, men was enigszins verrast door het grote aantal ontwikkelaars dat bleek te zijn uitgenodigd. Hadden ze dat eerder geweten, dan waren ze niet zover gegaan. Ook Coenen heeft geen enkele terughoudendheid betracht. Hij heeft alle registers opengetrokken en onbekommerd de grenzen van het bestemmingsplan op vele punten overschreden. Geheel in zijn traditie heeft hij gezocht naar de in zijn ogen best mogelijke oplossing, niet naar de makkelijkst haalbare of politiek meest correcte.

Het is een alles of niets-strategie. Of iedereen springt op van enthousiasme, omarmt de onvermoede vondsten en gaat welgemoed het avontuur aan, of het wordt als onhaalbaar direct van tafel geveegd. Dit laatste is het lot geweest van dit plan. Het is een troostprijs voor Coenen dat hij zijn ideeen in het Architectuurinstituut toch nog aan den volke kan tonen. Hij hoopt er alsnog een discussie mee los te maken over de verdere inrichting van de Kop van Zuid.

Zo’n discussie is nuttig voor de verdieping van het vak, maar de kans dat het op de prozaische Kop van Zuid sporen zal nalaten is klein. De reacties vanuit die hoek zijn uiterst koel. Het kost al moeite genoeg om die bouwtrein op snelheid te houden; voor avonturen is geen plaats. Coenen is voor Rotterdam een tikkeltje te wild.

Sokkel in plaats van invasie

Coenen noemt het gebouw een “schakel tussen de binnenstad en de Laan op Zuid”. Hoe uiteenlopend de gebogen en hoekige bouwvormen en soms vervaarlijke overstekken ook zijn, ze worden samengebonden door de gemeenschappelijke plint, met het belastingkantoor als neutrale coulisse in de rug, aldus Coenen.

De metaforen voor het gebouw als ‘motor’ en als een groep ‘dansers op een podium’ suggereren beweeglijkheid en levendigheid. Ook de vorm moet daaraan bijdragen.

Hoe levendig een vorm echter ook is, feitelijk is die voor de eeuwigheid gestold. Een gebouw zorgt niet voor stadse drukte door de vorm of metafoor maar door het programma.

Juist, zal Coenen zeggen, dat zit er ook in: van een zwembad tot een kroeg, van een gezondheidscentrum tot bejaardenhuis. Kortom, echt een stad in het klein. Coenen: “Het is geen autark gebouw”.

Er is echter een merkwaardig aspect aan deze ‘Little City’: het gebouw staat op een iets verhoogde plint. Alsof de stad op een sokkel apart is gezet. Coenens bedoeling is om enige afstand te nemen van de drukte op de naastgelegen Laan van Zuid. Feit is dat daarmee een grens wordt getrokken tussen gebouw en omgeving. Het kan ook niet toevallig zijn dat Coenen over die omgeving spreekt als ‘coulisse’. Als iets van een andere orde dus, waarvan het gebouw afstand neemt, om er des te zelfstandiger tegen af te steken; ongewild dus toch autark.

Coenen noemt de omgeving niet een veld of weefsel, waarin het gebouw opgaat om als het ware een infuus van vitaliteit te geven. Nee, hij noemt het een ‘sculptuur’ die afsteekt tegen een ‘coulisse’, waar een beeldspraak van een kleine epidemie, een goedmoedige invasie van activiteiten meer op zijn plaats zou zijn geweest. Tenminste als het werkelijk zou gaan om het verspreiden van stadse activiteit over een zo groot mogelijk gebied van de Kop van Zuid.

Blokken

De veelvormige sculptuur is een protest tegen de orthogonale dwang van de stedenbouw op de Kop van Zuid. Hoe erg die blokkerigheid uitpakt is op dit moment nog moeilijk te beoordelen. De Wilhelminahof is een vervelend blok – laten we niet veel meer woorden vuilmaken over deze flauwiteit op megaschaal. De eerste plaatjes van de laagbouwhuizen, waarvan de bouw op stapel staat, zullen ook niemand tot lyriek verleiden. Maar de vraag is hoe het zal zijn als alles af is en met elkaar samenwerkt om een stadsbeeld te vormen. Hoe zal het in samenhang functioneren? Wat zal de interactie zijn tussen de boulevards, de straten, het water en het totale gebruik? Het is niet gezegd dat een stad niet leuk kan zijn als alle kavels rechthoekig zijn en de bebouwing bestaat uit blokken.

De Kop van Zuid bevindt zich in een kritieke fase. De neiging is groot om alsnog een andere koers in te slaan nu de eerste resultaten nog wat mager zijn – zie het po van Coenen. Het gevaar is dat zo’n primadonna die zich afzet tegen de omgeving, deze vernedert en nog meer kwaad doet. De kwaliteit van de Kop van Zuid zou juist ke zijn, op de langere duur, dat het een monotonie van blokken is, een prettig saaie, neutrale eenheid die alle ruimte laat aan het gebruik in plaats van een dwangmatige veelvormigheid.

In ieder geval heeft Coenen met deze provocatie zijn zin gekregen: hiermee is de discussie geopend.

De tentoonstelling ‘Stad in de stad’ is tot en met 27 juli in het NAi te zien.

Reageer op dit artikel