nieuws

Architectenbureau Drexhage, Kingma en Roorda: Een degelijke naam en twee jonge honden

bouwbreed Premium

Sinds een jaar gevestigd aan het statige Haringvliet in Rotterdam: architectenbureau Drexhage, Kingma en Roorda. Drexhage had er al langere tijd een degelijke naam opgebouwd. Maar wat doen die twee jonge honden daar? Een gesprek met Klaas Kingma en Ruurd Roorda over het nut van een tegendraadse samenwerking.

Hoe lang kun je een architect een jonge hond noemen? Zowel Klaas Kingma (1955) als Ruurd Roorda (1959) zijn rond de veertig. Volgens het gewone spraakgebruik in de architectuur ben je dan nog jong; de meerderheid is dan pas zover dat de eerste voldragen, grote werken worden opgeleverd. Maar meer dan alleen een leeftijd duidt het begrip jonge hond aan dat er sprake is van temperamentvol talent. In die zin zijn Kingma en Roorda nog steeds jonge honden en behoren ze niet tot het establishment.

Karel Drexhage is een representant van een heel andere generatie, opgegroeid met degelijk modernisme. Zijn visitekaartje is het gebouw De Maas aan de Boompjes in Rotterdam, een geheel met spiegelend glas beklede toren waarvan de bovenste verdiepingen uitkragen. Als blikvanger heeft het een plaats verworven in Madurodam.

Kingma en Roorda studeerden in 1986 af aan de TU Delft en werkten enige tijd bij OMA, het bureau van Rem Koolhaas en toendertijd de avontuurlijkste werkplek die je je kon denken. Ze figureerden in de tentoonstelling die het Architectuurinstituut twee jaar geleden wijdde aan het vele jonge talent dat daar voor kortere of langere tijd onderdak vond. Opvallend is dat zij van de zestien architecten de enigen zijn die aansluiting hebben gezocht bij een gevestigd bureau. De norm is blijkbaar dat wie talent heeft, voor zichzelf begint. Het is tegendraads dat zij de samenwerking zijn aangegaan met zo’n gevestigde naam als Drexhage.

De norm is gezet begin jaren tachtig met als bekendste representant het bureau Mecanoo. Dankzij het winnen van een prijsvraag konden de architecten van dit bureau direct na hun afstuderen hun eigen gang gaan. Vernieuwend was hoe zij zich inzetten voor een sterke positie van de architect en meer aandacht voor stijlvolle architectuur. Daarmee schudden zij zich los van het wat ingedutte wereldje van gevestigde bureaus. En sindsdien is het taboe om je als jong talent met dat wereldje in te laten.

Daar lijkt nu een kentering in te komen. Eerder al kwam op deze plaats architect Maurice Nio aan het woord, die bewust koos voor het anonieme, grote Bureau De Gruyter en later VHP: daar kon hij direct in het groot bouwen en kennismaken met de interessante wereld van de commercie in plaats van tien jaar ploeteren aan verbouwinkjes om een eigen bureau van de grond te krijgen.

De kentering gaat gepaard met een veranderde kijk op architectuur en de positie van de architect. Het bouwen zelf lijkt belangrijker te worden. In het gesprek met Kingma en Roorda klinkt door dat de traditie en ervaring van het vakmanschap, het ambacht van de architect, aan een herwaardering toe zijn.

Prijsvragen

Kingma en Roorda hebben wel degelijk een eigen bureau gehad. Het winnen in 1987 van een woningbouwprijsvraag in Eindhoven was de aanleiding om zelfstandig te worden. De prijsvraag resulteerde niet direct in werk overigens; daarvoor was nog eens vijf jaar lobbyen nodig. Het winnen, kort daarna, van een woningbouwprijsvraag aan de Dedemsvaartweg in Den Haag leverde wel direct een flinke bouwopdracht op. Voorts werkten ze aan de voltooiing van een school bij het IJ-plein in Amsterdam, een po waaraan zij bij OMA al hadden getekend.

Het belang van prijsvragen en meervoudige opdrachten is typerend voor de architectenbranche in het afgelopen decennium. Het kleine bureau van Kingma en Roorda had er zijn bestaan aan te danken en draaide er een aantal jaren op, al vielen ze een paar keer ook buiten de prijzen. Het leverde hen vooral nieuwe contacten op.

Ze kijken er met gemengde gevoelens op terug. Niet altijd was direct duidelijk waarvoor het instrument van de meervoudige opdracht werd ingezet. Soms bleek het een breekijzer te zijn om budget of prestige te verwerven, of om een patstelling te doorbreken. In een aantal gevallen zou een directe opdracht aan een architect meer op zijn plaats zijn geweest, vinden Kingma en Roorda. Voor opdrachtgevers op zoek naar lekker verkoopbare plannetjes bleken deze jonge honden in ieder geval te ernstig. Hun plannen waren soms letterlijk te zwart-wit.

Paradox voor beginners

Toen Drexhage eind 1994 kwam met de vraag of ze met hem wilden samenwerken, was dat een kans om door te breken naar het grotere werk. Het aangrijpen van die kans ging niet zonder aarzeling. In hoeverre zouden ze hun eigen werkwijze trouw ke blijven, hun vrijheid en onafhankelijkheid behouden, kortom zichzelf ke blijven? Van de andere kant overheerste het gevoel dat het tijd werd, na zeven jaar werken in het eigen bureau, dat er meer schot in de zaak zou komen. Ruurd Roorda had ondertussen al met het grotere werk kennisgemaakt; hij had incidenteel op andere bureaus gewerkt, en ‘uitgeleend’ aan de Rijksgebouwendienst heeft hij onlangs een belastingkantoor in Enschede voltooid. Ook had hij al veel eerder – vlak na de avontuurlijke tijd bij OMA – gewerkt bij Karel Drexhage.

Het was dus niet geheel onverwacht dat Drexhage contact zocht. Tegendraads was het wel, en daarom sloten ze eerst een samenwerkingsovereenkomst op projectbasis. Sinds januari 1996 is de samenwerking definitief. Voor beide partijen blijkt het profijtelijk. Kingma en Roorda brengen nieuwe ideeen in en ke voor de continuiteit op langere termijn zorgen, Drexhage brengt de ervaring in van een bureau met een lange traditie, een nieuwe kring van relaties en expertise in de bouw. Daarmee omzeilen de jonge honden de paradox voor elk beginnend bureau: dat je gebouwd moet hebben om te ke bouwen, want opdrachtgevers eisen ervaring.

Traditie verbroken

In de aarzeling over de samenwerking speelde mee dat het voor jong talent momenteel not done is om zich te associeren met een gevestigde naam. Alsof je er door besmet zou raken. Ooit was het wel gewoon dat jong talent gaandeweg een zaak overnam, waardoor in de bureaunaam langzaam de namen rouleerden. Maar die traditie is verbroken, en dat geldt evenzo voor de overlevering van het vak, het ambacht van architect, via het mechanisme van meesters en leerlingen. De breuk is opgetreden doordat eerst een generatie architecten als docent aan de TU’s en Academies van Bouwkunst is blijven hangen, en daarna kwamen in het voetspoor van het succevolle Mecanoo de jongeren die direct na de opleiding voor zichzelf begonnen, zo doen Kingma en Roorda een poging tot analyse van het breukvlak.

De opkomst van de jonge bureaus ging gelijk op met die van een serie opdrachtgevers die in waren voor avontuur. Inmiddels hebben de prijsvragen en meervoudige opdrachten Kingma en Roorda geleerd dat de grootste avontuurlijkheid eraf is. Opdrachtgevers willen geen risico’s meer lopen: als er al avontuurlijkheid wordt gevraagd, gaat dat gepaard met de eis van ervaring. Dat maakt het moeilijker voor jonge bureaus.

De grote anonieme bureaus ervaren problemen op een andere manier. Dankzij het stimuleringsbeleid van de overheid – onder andere de twee Architectuurnota’s van het Rijk – is er het afgelopen decennium een veel bredere interesse in architectuur gegroeid. Er is vraag naar architectuur. En dat dwingt grote anonieme architectenbureaus om een eigen gezicht te tonen. Ze moeten op zoek naar spraakmakend talent. Kingma en Roorda zien tot hun lichte verbijstering hoe sommige grote bureaus dat probleem oplossen door simpelweg jong talent ‘in te kopen’. Ze vrezen dat architectuur daarmee verwordt tot een maniertje – wat de waarde van de architectuur precies is doet er niet toe, als het werk maar opvalt. Architectenbureaus die gestaag een eigen oeuvre uitdiepen, lopen het gevaar gemarginaliseerd te worden.

Het is met een zekere trots dat Kingma en Roorda de geschiedenis van hun nieuwe bureau reconstrueren. Ze zijn nu bij 1907. De tijd dat onder de namen van De Roos en Overeynder klassiekers zijn neergezet als Kasteel Spangen en Petrolea aan het Malieveld in Den Haag. Daarna sloeg Koldewijn de richting van het Nieuwe Bouwen in, een lijn die door Drexhage is voortgezet.

Kingma en Roorda voegen daar nu hun eigen handschrift aan toe, dat eveneens voortbouwt op verworvenheden van het modernisme. Kenmerk daarvan is de strenge concentratie op hoofdzaken – geen afleidende kleurtjes en frivoliteiten. Als je er in slaagt om per po een thema goed uit te diepen is dat al heel wat, vinden ze. Zo radicaal als alleen jonge honden durven zijn.

Reageer op dit artikel