nieuws

Restauratie van de nationale porseleinkast brengt ongekende details aan het licht

bouwbreed

Het graf van Willem de Zwijger spreekt

Het praalgraf zit vol verrassingen. Bij het afpellen van de bronzen ornamenten komt geen glad marmer tevoorschijn. Nee, de blanke, marmeren huid reikt niet verder dan het oog ziet. Daarachter voelt het ruw aan. Gewoon baksteen. Het graf van Willem de Zwijger spreekt. Woorden van Hollandse zuinigheid. Overstemd door een lyrische ontboezeming over de verbluffende schoonheid van deze creatie van Hendrick de Keyser.

Het monument in de Nieuwe Kerk te Delft lijdt aan een zoutkwaal. Hydraterende en kristalliserende zouten oefenen een trekkracht uit op de korrelstructuur van het marmer. (De expert zal het zo meteen haarfijn uitleggen). De gevolgen zijn funest. Natuursteen verdraagt geen trekkracht. Gepolijst marmer wordt dof. Op sommige plaatsen zijn stukjes van het monument afgebrokkeld. Vooral de ombouw en het vloeroppervlak waar de prins op ligt, zijn aangetast. De beeltenis van de prins is godzijdank zoutvrij.

Wilde jongens

De restauratie is net begonnen. En het is nu al een mooi verhaal. Ook omdat de opdracht niet naar een gerenommeerde restauratie bv is gegaan, maar naar een ‘stelletje wilde jongens’. “Er is hier geen architect. Er is hier helemaal niemand.” Jan van Ipenburg zegt het, de beeldhouwer uit Schoonhoven.

Het restauratieplan is bedacht door conserveringsdeskundige Jaap Querido en Bert van Bommel, restauratieadvisieur van de Rijksbouwmeester. Waarbij zij tot de slotsom kwamen dat het monument voor een grondige restauratie volledig uit elkaar gehaald diende te worden. Dat is geen sinecure. We hebben het hier over de nationale porseleinkast. Het is het belangrijkste renaissancemonument van Nederland. De vijf bronzen vrouwenfiguren en het beeld van prins in wapenuitrusting – die rond de majestueuze tombe staan – zijn de eerste bronzen beelden die in Nederland zijn gegoten.

Zeventig ton marmer, baksteen en brons in honderden losse stukken uit elkaar halen en uit elkaar houden… Sommige passtukjes zijn slechts enkele vierkante centimeters groot. Dat alles schoonmaken, herstellen en weer in elkaar zetten. Wat scheef zat, moet scheef terug.

Als jullie vinden dat het zo moet, dan mogen jullie het op jullie manier gaan uitvoeren, volgde de Rijksgebouwendienst het restauratieadvies op. Jaap Querido – “dat gejaap schijnt er tegenwoordig bij te horen” – mocht zelf zijn team van experts samenstellen. “Is ongelooflijk”, vindt hij.

Vijf jaar denkt Querido er over te doen. De geraamde kosten van f. 5,5 miljoen zijn voor rekening van de Rijksgebouwendienst.

Unicummetje

Het bijzondere van het karwei zit niet in het hoge doorluchtigheidsgehalte van de persoon die het monument in zich bergt. “Daarvan zijn wij niet zo erg onder de indruk”, zegt beeldhouwer Jan van Ipenburg, wetende dat hij niet is gevraagd om voor soldaat van Oranje te spelen. “Het is bijzonder omdat het een kwaliteit heeft die je zelden tegenkomt als restaurateur. Eindelijk weer eens een goed stuk werk onder handen. Als je ziet hoe ze gietfouten hebben opgelost, met klinken en met passtukjes. Perfect.”

Querido: “In z’n details is het echt verbazingwekkend. Elke keer weer val je achterover als je ziet hoe de verzorging is geweest. Tot een herhaling van duizenden stuks. En elk dingetje is weer als een unicummetje behandeld. We zien dingen die we nog nooit gezien hebben.”

“Wat een ding leuk maakt”, vult steenreparateur Anske de Boer aan, “zijn de fouten. Aan elke fout zit een verhaal. Dat maakt het menselijk.” Zegt er schielijk achteraan dat “wij die natuurlijk niet mogen maken”.

Trekeffect

De schade wordt niet door een bepaald soort zout veroorzaakt. Er zitten sulfaten in, chloriden, een beetje nitraat. Door deze mix treedt al bij een relatieve luchtvochtigheid van 60 procent kristallisatie op. Bij een zuiver zout als keukenzout gebeurt dit bij 75 procent.

“Zit er veel vocht in de lucht”, legt Querido het schademechanisme uit, “dan lost het zout op en floept het in de intergranulaire ruimten van het marmer. Neemt de luchtvochtigheid af dan gaat het zout weer over in vaste vorm, het kristalliseert uit. En net als vrijwel alle vaste stoffen krimpt zout als het van een vloeibare in een vaste vorm overgaat.” Querido neemt een korte pauze in acht. Alsof hij wil zeggen: let op, nu komt het: “Omgekeerd, als er weer een beetje vocht bij komt, neemt het zoutkristal het water op en wordt groter. Dat groter worden in volume geeft een trekeffect op de porien. Natuursteen kan verschrikkelijk goed druk hebben, maar het heeft geen mogelijkheden om trek op te vangen. Op die manier worden de wanden van de porien kapotgedrukt en ontstaan microscopisch kleine scheurtjes. Zichtbare schade ontstaat wanneer de scheurtjes zich aaneenrijgen. Dan begint de steen af te breken. Eerst nog traag in de vorm van gruis. Later met grote brokken.”

Kompressen

Hoe halen we het zout eruit? Dat is het hoofditem van de restauratie, het ontzouten van ‘Wil’. (“Aldoor spreken van ‘het praalgraf’ is zo vermoeiend”). Querido moet aan die arme mevrouw denken die een ijselijke winter lang bezig is geweest met kompresjes.

“Om een kompres te laten werken”, vat Querido het probleem samen, “moet je eerst een vochtstroom naar binnen creeren. Tussen het kompres en de steen moet een nauw contact bestaan. Van bovenaf lukte dat wel, maar bij uitstekende profielen en onderkanten duvelde het eraf. Soms was de verdamping weer te groot, moest water worden toegevoegd. Er kwam wel wat zout in het kompres, maar je wist niet of je alles had. Wat kwam er van ernaast? Er was geen controle. En als het zout inderdaad uit de bodem komt, gaan we dan de kerk door het grafmonument heen ontzouten? Steeds meer kwam, hoe vreselijk ook, de overtuiging naar boven: het moet uit elkaar.”

Risico

Querido zal niet beweren dat de gekozen methode zonder risico is. “De beslissing het monument uit elkaar te halen, was de meest riskante fase in het restauratieproces.” Niet vanwege constructieve complicaties. Deze mannen zijn stuk voor stuk de moeder van de porseleinkast zelve. Wat Querido vreest, is de euforie van het succes. “Als het uit elkaar halen op een gegeven moment goed lijkt te gaan, treden gevaren op. Dan kan het gebeuren dat de blokken wat te snel komen; dat de voorzichtigheid iets minder wordt; dat de routine mee gaat spelen; dat het allemaal niet zo keurig kan worden gedocumenteerd als zou moeten. Omdat er mogelijk iets van haast bij is gekomen.”

Diffusie

Heel, heel langzaam worden spoelbakken in de loods naast de Nieuwe Kerk gevuld met water. Bijna druppelsgewijs. Zoals een suikerklontje water opzuigt, trekt het water in het marmer. Voorkomen moet worden dat er luchtbellen in het marmer ontstaan.

Werken aan tijdloze schoonheid vereist een volledige onthaasting. Honderd (!) dagen de tijd nemen om een stuk steen onder water te zetten. Dat is kenmerkend voor dit specialisme. Geduld. Het patina van de tijd verdraagt geen jachtigheid. Als een goed heelmeester weet de restaurateur dat slijtage ook als genezende kracht kan worden aangewend.

Diffusie heet de ontzoutingskuur die het marmer in de spoelbakken ondergaat. Schoon water met een lage ionenconcentratie komt in contact met verzadigd zout water met een hoog ionengehalte en vermengt zich. Terwijl het ionengehalte buiten de blokken laag wordt gehouden, zakt het zoutgehalte gelijkmatig tot lage waarden.

“Het drogen van de blokken duurt waarschijnlijk even lang als het vullen van de baden”, verwacht Querido. “We moeten twee dingen voorkomen. Dat we droge zones krijgen met vocht erin, want dat krijg je er niet meer uit. En dat er vaporlocks in het porienstelsel ontstaan, dampbellen. Het moet een continue stroom zijn van water dat aan het oppervlak overgaat in damp. Zodra ze droog zijn, gaan we ze schoonmaken, mooi maken, weer aanhelen, polijsten.”

Aanhelen

Beeldhouwer Van Ipenburg en steenreparateur Anske de Boer werken met speciaal voor deze klus ontwikkeld gereedschap van roestvrij staal. Sporen van gewoon staal zouden in spoelbad lelijke roestplekken op het marmer achterlaten.

Voor het aanhelen van de meest beschadigde delen zal een nieuwe techniek worden toegepast. “Er is een acrylhars ontwikkeld die ongeveer een kwartier lang verwerkbaar is”, zet Van Ipenburg uiteen. “Dat is niet veel, maar aanzienlijk meer dan de paar seconden van vroegere harsen. In vergelijking met polyester heeft acryl het voordeel dat het weinig krimpt. Het vergeelt niet zoals epoxy. En het laat zich goed polijsten.”

“Het mooie van gepolijst marmer is het transparante effect”, wijst De Boer op de essentie van marmerreparatie. “Om dat te bereiken moet het mengsel van acryl en gemalen marmer in hele dunne laagjes worden opgebracht. Normaal zakt de toeslag naar beneden en moet een verdikker het gewicht van de vulstoffen vasthouden. Voeg je teveel verdikkingsmiddel toe, krijg je ook een verdichting van de intensiteit. Je krijgt dat doorzicht niet meer. Het wordt plat als plastic. Dat is de moeilijkheid. Je kunt maar hele kleine herstellingen doen. Maar enkele millimeters op een klein oppervlak, want anders gaat het zakken. Pas na twee dagen, na het volledige uithardingsproces kan de volgende laag worden opgebracht.”

“Er is een grote zekerheid”, rondt Jaap Querido het gesprek af. “Het lukt. Dat is zeker. Over een x-aantal jaren staat het monument er weer. En het zal in een betere conditie zijn dan waarin we het nu aantreffen. Tegen die tijd weten we ook een heleboel dingen meer dan nu.”

Dolf Dukker

‘Circus’ rond grafkelder bemoeilijkt onderzoek naar oorsprong zout

Conservator Jaap Querido wil best ingaan op de vraag ‘waar komt het zout vandaan?’ (wat hem meer interesseert is: hoe krijgen we het eruit?). Gissen naar de herkomst: “Bij chloriden denk je al gauw aan keukenzout of aan zeewater. Zou ke indien er met fijn duinzand en brak water is gemetseld. We zullen het tijdens het demonteren te weten komen. Als we binnenin de kern, in de mortel, zout vinden dan komt het niet alleen van buiten. We hebben wat sulfaten aangetroffen. Luchtverontreiniging, denk je dan. Maar dat hoeft natuurlijk niet. Soda is een geliefd reinigingsmiddel.”

Optrekkend vocht? Querido sluit het niet uit. “Waarschijnlijk hebben de baksteen metselkernen van de pijlers wel contact met de gewelven van de koninklijke grafkelder eronder. Maar onderzoek hiernaar wordt bemoeilijkt door protocollaire hindernissen. Opening kan alleen in aanwezigheid van de grafcommissaris, de burgemeester en de politie. Het is – oneerbiedig gezegd – een heel circus. Niet direct een plek waar je vrolijk monsters kunt gaan nemen.” De conservator gelooft trouwens niet zo hard in deze hypothese.

De ondraaglijke zwaarte van het documenteren

Niets mag aan zijn aandacht ontsnappen. Het verklaart zijn gefixeerde blik. Zijn ogen moeten dezelfde details al honderden keren hebben bestudeerd. Maar hij kijkt alsof hij ze voor het eerst ziet. Alsof hij elk moment weer iets nieuws kan ontdekken. “Het is nu nog een geheel, maar straks heb je een gigantische hoeveelheid losse stukken.” Documentalist Geert van den Brul lijkt het vooral tegen zichzelf te zeggen. Over vier, vijf jaar moet het monument op zijn aanwijzingen weer in elkaar gezet worden. Precies zoals alles heeft gezeten. “Dit zijn de referentiestickertjes.” Hij kan niet kijken zonder tegelijkertijd te controleren. “Dit is de zuidwesthoek… en dat is de noordwesthoek…”

Alle onderdelen hebben een nummer gekregen. Van elk onderdeel wordt een fotogrammetrische tekening gemaakt. Alles wordt opgeschreven. Het verweringsbeeld, de zoutbelasting, de scheefstanden, roestplekken, afwijkingen in maatvoering. Het restauratieproces wordt met de grootst mogelijke nauwgezetheid vastgelegd. Elke handeling, het gebruikte gereedschap, de toegepaste technieken, het verwerkte materiaal. Er komt een enorme hoeveelheid informatie los. Ook informatie die nu nog niet te zien is. Van den Brul: “Het is heel goed mogelijk dat Hendrick de Keyser ook gebruik heeft gemaakt van een bepaalde nummering; dat hij die nummering in het marmer heeft gegraveerd.”

“Het is allemaal heel spannend en interessant. Al word ik er ook wel eens een beetje wanhopig van. Dit is nog nooit eerder op deze schaal gedaan. Met restauraties van schilderijen is het een principe, een traditie alles te registreren, maar in de bouw, de beeldhouwerij wordt die werkwijze pas nu voor het eerst toegepast.”

Projectinformatie

De Rijksgebouwendienst, Directie Programma’s en Poen (Rgd/DPP) hecht er aan op te merken dat de restaurateurs wellicht het gevoel hebben dat zij vrij zijn te doen wat hen goeddunkt, maar dat dit niet strookt met de werkelijkheid. De restauratie wordt gevolgd en gestuurd door de Rgd en het pomanagement onder leiding van B. Disser. Tot de pogroep behoren verder A. Blanken (Rgd), F.J.D. Prooper (Rgd) en N.G.E.M. Ex.

Aan de restauratie is jarenlange voorbereiding voorafgegaan. Als adviseur traden op: A.J. van Bommel (Rgd/Rbm), J. Querido (conserveringsdeskundige), F.T. Scholten (conservator beeldende kunst Rijksmuseum Amsterdam) en K.C. Van den Ende (bouwhistoricus). De t echnische coordinatie is in handen van E. de Vaal (bouwadviseur). Het restauratieteam bestaat uit: A. de Boer (steenreparatie), J. van Ipenburg (beeldhouwer), A. van Ipenburg (beeldend kunstenaar) en G. van den Brul (documentalist). Aan de restauratie werken verder mee: Rockview (gesteente-expertisebureau), Vrije Universiteit Amsterdam, Ibach, E. van Dienst (ontzoutingsdeskundige) en Naaborg’s Bouwbedrijf. Totaal kosten: f. 5.500.000. Begin restauratie: 4 nov. 1996. Gereed: medio dec. 2000.

Reageer op dit artikel