nieuws

Opdrachtgever trekt portemonnee trager

bouwbreed Premium

Een Duitse opdracht krijgen is maar de helft van het werk. Voor de inspanningen betaald krijgen de andere. De moeite die het laatste vergt valt niet zelden vele malen groter uit dan die voor het eerste, temeer omdat het betalingsgedrag verslechtert. Bedrijven doen er goed aan niet blind te varen op de vermeldingen in het handelsregister omdat dit niet altijd de meest actuele stand van zaken weergeeft. Ondernemers die zeker willen weten of een partij inmiddels niet failliet is gegaan ke bij het kantongerecht in het desbetreffende arrondissement telefonisch navraag doen. Ze ke dan tevens nagaan wie in deze onderneming papieren mag tekenen.

“Er was eens een ondernemer die een eenmanszaak voor zo’n DM70.000 materiaal leverde en daarvan een bedrijfsgebouw maakte”, zegt mr. U. Croonenbrock van het advocatenkantoor S trick uit het Duitse Kleve. “Hij leverde een factuur in maar ontdekte dat hij op geen enkele manier betaald kreeg. De opdrachtgever had intussen een verklaring voor de rechtbank over zijn financiele positie afgegeven. Het gebeurt echter niet zelden dat er na de afgifte ervan niets meer te beuren valt. Voorwaarde voor de verklaring is wel dat de eisende partij een rechtsgeldig vonnis in handen heeft. Sorteren executoriale geen effect dan is deze verklaring het laatste middel om het openstaande bedrag te vorderen. Dat schept tevens strafrechtelijke mogelijkheden. Blijkt de verklaring vals, iets wat meer dan eens voorkomt, dan dan bij de officier van justitie een aanklacht worden ingediend. Wat zeker niet betekent dat de centjes dan wel worden overgemaakt.”

Verhaalsinformatie

“Niet altijd kun je dergelijke problemen voorkomen”, meent Croonenbrock, “zeker niet als je te maken krijgt met lieden die erop uit zijn om helemaal nooit te betalen. Nu bestaan er wel inlichtingenbureaus die verhaalsinformatie ke leveren. Daar zitten wel enkele haken en ogen aan. De bureaus winnen hun informatie namelijk bij de bedrijven zelf in. Wat betekent dat de inlichtingen niet per definitie juist hoeven te zijn. Als iemand niet in staat blijkt te zijn tot het geven van een vooruitbetalingsgarantie dan doet een bedrijf er goed aan het contact niet voort te zetten. Wie bouwt moet dat ke betalen en moet ke aantonen dat hij daartoe inderdaad in staat is. Soortgelijke garanties worden van ondernemers gevraagd, dus is het niet te ver doorgedacht om dat ook van opdrachtgevers te vragen.”

“Komt een opdrachtgever niet aan dat verzoek tegemoet dan komt het in de bouw nogal eens voor dat de aannemer niet verder vraagt omdat hij zich nogal eens als afhankelijke partij beschouwt”, weet Croonenbrock. “Toch bestaan er wettelijke mogelijkheden om de opdrachtgever om financiele garanties te vragen. Dat is geregeld in het zgn. Bauhandwerkersicherungsgesetz, paragraaf 668, lid A van het burgerlijke wetboek. Dit geldt niet voor opdrachten van de overheid. In dat geval gaat iedereen ervan uit dat de opdrachtgever altijd tot betaling in staat is omdat die wettelijk gezien niet failliet kan gaan. In het geval van particulieren zijn de regels alleen van toepassing als een bouwopdrachtgever het werk aanbiedt. En daar zijn ook weer voorwaarden aan verbonden. Er zijn ook andere mogelijkheden maar ook daar rijzen wat vragen over de uitwerking ervan in de praktijk. Waarbij natuurlijk het risico bestaat dat de opdrachtgever zich door de vraag naar garanties in zijn goede naam voelt aangetast en voortaan omziet naar andere aannemers.”

Bouwstop

“Het zijn niet alleen onbetaalde nota’s die de aannemer in problemen ke brengen”, legt Croonenbrock uit. “Te denken valt aan een voorval in een Duitse gemeente. Die stelde voor een bepaald gebied een bestemmingsplan op waarin onder meer de hoogte van het kelderplafond voorgeschreven staat. De architect vervaardigde voor een nieuwbouwwoning een ontwerp en kreeg voor het plan een bouwvergunning. De hoogte van het kelderplafond voldeed echter niet aan de normen. Op zich is dat geen probleem, zolang de partijen geen ruzie maken. In dit geval deden ze dat wel en dat resulteerde in een brief aan de gemeente waarin op de tekortkoming werd gewezen. Daaruit volgde een bouwstop. Nu kan besloten worden om de kelder te verwijderen en opnieuw te bouwen. Daar zijn forse kosten aan verbonden, temeer omdat de aannemer door dit voorval zijn werk niet kan voortzetten. De gemeente kan ook een uitzondering maken en de afwijkende maat toelaten zodat het volgens het bestemmingsplan in orde is. En in dat gebied zijn meerdere woningen afwijkend van het bestemmingsplan gebouwd. Oftewel: er is een precedent geschapen. De grondwet stelt evenwel dat er alleen sprake is van gelijkheid in recht en niet van ongelijkheid in recht. Je kunt je dus niet beroepen op het precedent.”

“In zo’n geval praat je over belemmeringen in het bouwproces wat weer gevolgen oplevert voor de betalingen”, stelt Croonenbrock. “De opdrachtgever moet de desbetreffende bedrijven dan een ‘bericht van verhindering’ sturen. Een Nederlands bedrijf reageert daar niet altijd even adequaat op, denkt ‘we zien wel waar het schip strandt’ en staat niet stil bij de gevolgen. Even weinig aandacht wordt soms besteedt aan de vraag met wie de aannemer op de bouwplaats rechtsgeldige afspraken kan maken, wie bevoegd is om bonnen te tekenen en wat er op die bonnen moet staan. Dat laatste is niet onbelangrijk omdat het betalingsgedrag steeds slechter wordt. Dit soort kwesties moet nog voor de sluiting van het contract duidelijk zijn.”

Reageer op dit artikel