nieuws

‘Na de oorlog’ niet meer weg te denken van agenda

bouwbreed Premium

Na vijf jaar gepleit te hebben om na-oorlogse wijken op de agenda te krijgen van politici en ontwerpers houdt de stichting Van na de Oorlog ermee op. Vrijdag is de laatste bijeenkomst. In een echt na-oorlogse wijk, het Amsterdamse Osdorp, wordt nog eenmaal doorgenomen wat moet gebeuren om deze wijken levensvatbaar te houden. Thema’s die nu niet meer van de agenda zijn weg te denken.

Als een van de oprichters vertelt architect Henk van Schagen wat de belangrijkste thema’s zijn van de discussie die de stichting Van na de oorlog heeft aangezwengeld. Hij grijpt daarvoor terug op de tijd dat de toenmalige staatssecretaris voor volkshuisvesting Heerma de subsidies voor na-oorlogse woningen afschafte. Er zou veel meer gesloopt moeten worden. Het was ook een tijd dat de stadsvernieuwing steeds meer verkokerde met de nadruk op productie-aantallen.

Van Schagen vertolkt het gevoel van de initiatiefnemers van Na de Oorlog dat het juist de andere kant op moest om de neergang van na-oologse wijken te keren: integrale oplossingen met oog voor continuiteit, nieuwe vormen van bewonersparticipatie en een sociaal ondernemerschap van corporaties dat vorm moest krijgen. Van Schagen haast zich te zeggen dat het doel van de stichting niet was om te zeggen hoe het moest, dat wist men daar evenmin precies. De stichting moest als neutraal platform dienen waarop betrokkenen van alle belangenorganisaties vrij-uit hun mening konden ventileren. Al discussierende moesten de ideeen vorm krijgen hoe de positieve waarden van deze veelal ruim in het groen gezette wijken konden worden versterkt. Dat vereiste een geheel nieuw soort professionaliteit van financiers, bestuurders en ontwerpers. Zoals de stadsvernieuwing gekoppeld was aan de verzorgingsstaat, moesten zij samen een vorm van wijkvernieuwing vinden voor deze tijd van afbraak van diezelfde verzorgingsstaat.

Vijf thema’s

De eerste jaren werden daartoe excursies ondernomen naar de desbetreffende wijken, werd er in voorstudies getoetst wat structurele thema’s waren en wat niet, en werden debatten belegd. Daaruit kwamen, aldus Van Schagen, vijf belangrijke thema’s kwamen naar voren, die in de latere jaren in ontwerpseminars zijn uitgediept.

Allereerst is de vraag van belang hoe je de bewonersparticipatie kunt organiseren. Zij ke de beste bron zijn om te weten te komen wat de sterke en zwakke punten van een wijk zijn. En zij vormen het draagvlak van de wijk.

Dat raakt aan het tweede thema van belang: de wijkopbouw. Als een wijk arm is, heeft het volgens Van Schagen weinig zin aan de randen voor hogere inkomens te bouwen – die gebruiken de voorzieningen in de wijk niet en dragen niet bij aan de samenhang. Je zou op zoek moeten wie als nieuwe middenklasse in de wijk kan fungeren, wat per wijk kan verschillen. Van Schagen relativeert in dat verband de concurrentie van de Vinexlocaties. “Mensen die buiten willen wonen komen toch niet terug naar na-oorlogse wijken; die hebben andere keuzes gemaakt.”

Het draagvlak raakt ook aan de vraag naar financieringsstrategieen: wie durft op de moeilijkste plekken te investeren en hoe kan dat het beste?

Huiswerk voor ontwerpers zijn de laatste twee thema’s die Van Schagen onderscheidt: hoe kan de met minieme budgetten maar vaak veel zorg ontworpen architectuur worden aangepast aan huidige normen, en hoe kan de stedenbouw aangepast worden aan de gewenste differentiatie?

Van Schagen hekelt het “opleuken” van de architectuur met kleuren en vormpjes. Ze verouderen snel en wekken verwachtingen van een rigoreuzere vernieuwing die niet wordt waargemaakt. Volgens Van Schagen is een misplaatste reflex dat men een gebouw al gauw niet meer mooi vindt als de exploitatie niet goed is. Hij pleit voor meer oog voor de details en eigen esthetiek van de na-oorlogse architectuur. Ook in de stedenbouw moeten ontwerpers op zoek gaan naar een manier van aanpassen die recht doet aan het weidse karakter van dergelijke wijken.

Eerste experimenten

De stichting Van na de Oorlog heeft succes gehad, vindt Van Schagen. De genoemde thema’s zijn op de agenda van bestuurders en ontwerpers gekomen. Na vijf jaar was de keuze om of de vrijwilligersorganisatie verder te professionaliseren, of op te heffen in de hoop dat anderen de thema’s verder uitdiepen. Dat laatste gebeurt. Als afscheidsboek publiceert de stichting zelf de resultaten van de aanpak in zestien na-oorlogse wijken. De SEV presenteert een onderzoek naar de mogelijkheden van hoogniveaurenovatie. Van Schagen stipt verder aan dat er gaandeweg weer subsidiemogelijkheden zijn bijgekomen. De eerste voorbeelden van een integrale wijkaanpak zijn er. Er begint zich, vindt Van Schagen, een beeld af te tekenen hoe gemeenten, corporaties en het rijk samen de problemen ke aanpakken, minder verkokerd met allemaal aparte potjes geld, meer integraal met een lump-sum. Als Van Schagen tot slot de balans op moet maken van alle vorderingen zegt hij: “Het is nog experimenteel, maar het gaat snel”. De stichting heeft haar werk kennelijk goed gedaan.

Reageer op dit artikel