nieuws

Korting op aanneemsom moet tijdig opgelegd

bouwbreed

Praktisch alle algemene voorwaarden die op aannemingsovereenkomsten van toepassing worden verklaard, bevatten een bepaling over het recht van de opdrachtgever om kortingen op de aannemingssom toe te passen als het werk te laat wordt opgeleverd. De Raad van Arbitrage heeft die bepaling altijd beschouwd als een beding waarbij de schade ten gevolge van de te late oplevering van te voren wordt vastgesteld.

Onder het oude Burgelijk Wetboek betekende dit niet alleen, dat geen hoger bedrag door de opdrachtgever als vergoeding kon worden geclaimd, maar ook dat de aannemer geen recht op matiging van die gefixeerde schade had. Dat zou wel het geval zijn geweest als het als een boetebeding zou zijn beschouwd.

In het nieuwe B.W. is dat verschil tussen gefixeerde schadebeding en boetebeding verdwenen. Daardoor heeft de rechter tegenwoordig de mogelijkheid zo’n bedrag op billijkheidsgronden te matigen als de aannemer daarom vraagt. Een beding in algemene voorwaarden, dat dit onmogelijk maakt, wordt door de wet nietig verklaard.

Daarover is nu dus de nodige duidelijkheid geschapen. Helaas is dat niet het geval met de termijn, waarbinnen zo’n korting op de aannemingssom dient te worden opgelegd. De meest gebruikte algemene voorwaarden geven daarover geen duidelijkheid. Zo bepalen de UAV van 1989, dat kortingen bij de eerstvolgende betalingstermijn en zo nodig bij volgende termijnen van betaling worden ingehouden. Zij voegen daar echter aan toe, dat kortingen ook op andere wijze op de aannemer verhaald ke worden. Welke manieren daarmee bedoeld worden laten deze voorwaarden helemaal in het duister.

De AVA van 1992 zijn wat dat betreft nog minder duidelijk: “de gefixeerde schadevergoeding kan worden verrekend met hetgeen de opdrachtgever de aannemer nog verschuldigd is” en de Algemene Voorwaarden bij de model Koop/Aannemingsovereenkomst doen ongeveer hetzelfde door te bepalen dat “deze schadevergoeding (dat is dus die wegens te late oplevering) verrekend kan worden met de nog verschuldigde termijn(en).”

Het zou een misvatting zijn te denken, dat de opdrachtgever zijn recht op het opleggen van een korting dus pas verspeelt na de gewone wettelijke verjaringstermijn. Het gekke is, dat bijna antieke algemene voorwaarden op dat stuk wel duidelijk waren. De AAV uit 1915 maakten het de opdrachtgever mogelijk om kortingen te verrekenen met betalingstermijnen; maar als hij niet binnen een vastgestelde termijn zijn aannemer mededeelde welk bedrag hij op de aannemingssom zou inhouden wegens termijnoverschrijding, verspeelde hij zijn recht. Daarmee werd de bestaansreden van die korting ook duidelijk: de aannemer heeft er recht op spoedig te weten of zijn opdrachtgever gebruik wil maken van dat recht. Tegenwoordig is die zekerheid er echter niet meer. Het is aan arbiters te bepalen na hoeveel tijd dat recht is vervallen.

Zestien maanden na de oplevering is te veel, zo vond een arbiter van de Raad in mei van dit jaar. Hij kreeg het volgende geval te behandelen.

Na de bouw van een woonhuis onder architectuur betaalde de opdrachtgever de aannemingssom en het meerwerk, maar liet de onderhoudstermijn onbetaald, omdat hij vond dat hij die pas verschuldigd was als de aannemer alle gebreken, vermeld in het proces-verbaal van opneming had verholpen.

De vordering van zijn aannemer om de onderhoudstermijn te betalen beantwoordde hij niet met een tegenvordering. Kennelijk was de verhouding tussen beiden zo verslechterd, dat hij er de voorkeur aan gaf de niet deugdelijk verholpen gebreken door een ander te laten herstellen. Daarom vroeg hij de arbiter hem een in redelijkheid te bepalen bedrag toe te kennen, waarmee hij de nog anderhalf jaar na de oplevering bestaande gebreken door een ander kon laten verhelpen.

Hij liet zijn coulance tegenover de aannemer varen. Nu die niet alleen de onderhoudstermijn ad f. 8419,87 vorderde maar daarbovenop nog eens f. 18.998,81 wegens “eerder op de meer- en minderwerk gekorte bedragen en uitgevoerde bestekswijzigingen”, was hij ook niet langer bereid zijn recht op korting wegens te late oplevering te laten varen. In het bestek was bepaald, dat het werk binnen 90 dagen na de gunning ter goedkeuring zou worden aangeboden. Met de bouw was op 29 augustus 1991 begonnen, maar het proces-verbaal van oplevering dateerde van 23 juli 1992. Het aantal dagen waarover de contractuele korting van f. 75 per dag kon worden toegepast was niet minder dan f. 119. Zo kwam de opdrachtgever op een bedrag dat nog f. 500 hoger lag dan dat van de onderhoudstermijn.

De scheidsman van de Raad vond echter, dat een redelijke uitleg van de gesloten overeenkomst (waarvan de UAV deel uitmaakten) met zich brengt, dat de opdrachtgever binnen een redelijke termijn na de oplevering van de woning kenbaar had moeten maken dat hij aanspraak maakte op korting wegens te late oplevering. Waarom hij dat redelijk snel moet doen gaf de arbiter ook aan: op die manier kan de aannemer zich behoorlijk verweren tegen zo’n boete-aanspraak.

Dit nu begrijp ik niet. In dit geval was de aannemer heel goed in staat zijn verweer te voeren. Er was meerwerk opgedragen, dat hem recht gaf op termijnsverlenging; de bouw was vertraagd door te late overhandiging van de kozijndetailtekeningen; de werkzaamheden waren vertraagd na het droogstoken van de woning en schilderwerkzaamheden waren aan een nevenaannemer opgedragen.

De arbiter had natuurlijk ook de moeite ke nemen die argumenten van de aannemer te beoordelen op hun juistheid. Maar dit was wel iets makkelijker: door zijn aanspraak op de korting pas 16 maanden na oplevering aan de aannemer kenbaar te maken heeft de opdrachtgever zijn aanspraak op boete wegens te late oplevering verspeeld!

Over rechtspraak naar billijkheid gesproken…

(BR 1996 p. 751)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels